Tuinvrouw

Leestijd: 5 min

‘Het is Anje’, zegt ze. Ik knik, ik heb haar meteen herkend. Ik doe een stap achteruit, gebaar dat ze binnen mag komen en zoek naar woorden. ‘Anje’, zeg ik, en ik slik de r in. Hij had haar altijd Anjer genoemd en ik weet nog dat ze dat niet prettig vond.
‘Je bent niets veranderd.’ Het is het eerste dat me te binnen schiet. Ze lacht wat onzeker. ‘Jij ook niet.’ We liegen allebei een beetje. Ze is klein en stevig. Niet kleiner dan ik, maar fijner. Ze neemt minder plaats in, dacht ik vroeger wel eens. Haar dunne armen zien er sterk uit, vooral haar bovenarmen. Haar handen en polsen zijn fijn. Ze geeft geen hand. Dat deed ze toen ook nooit.
‘Doe je nog altijd tuinwerk?’ Het is een overbodige vraag. Ik zie het aan haar. Ze knikt en ze loopt naar het raam.
‘Je hebt hier ook een tuin.’ Het klinkt verwonderd alsof ze verondersteld had dat ik het in mijn eentje niet zou redden met een tuin.
‘Hij is kleiner dan de vorige’, zeg ik weer volkomen overbodig. Ze kijkt naar de tomaten en ik ben blij dat er al groene trosjes aanhangen.
‘Ik heb ook aubergines.’ Ik wijs trots naar de kleine eivormige vruchten.
‘Je zou wat meststof kunnen strooien’, zegt ze.

Zo ken ik haar weer. Ze wist er alles van. Vanaf de eerste dag dat we haar hadden aangeworven, deed ze gewoon haar zin. Ze moest maar een dag per week komen, maar soms kwam ze onaangekondigd nog wat onkruid wieden of controleren of de grond wel vochtig genoeg was.
Jules noemde haar Anjer. Hij vond Anje geen naam. Zijn eigen naam vond hij heel gewoon en mijn naam vond hij bijzonder. Hij maakte hem bijzonder door hem traag en in twee stukken uit te spreken. Soms hoor ik hem nog. Em-ma.

Hij had het eerst niet zo voor haar. Maar hij had weinig keus. Hij kon het niet meer en ik had het nooit gedaan. Gewoon nooit aan gedacht om het te doen. Ik kreeg de groenten en de bloemen. Ik maakte de beste ratatouille en schikte de rozen in vazen.

Als Anje kwam, volgde hij haar doen en laten vanachter het keukenraam en gaf haar instructies via mij. Ik ging naar buiten en bracht de boodschap over. Hij zegt, zei ik. Het maakte mij niet uit wat ze deed. Als ze maar in het zicht bleef, want ik keek graag naar haar. Er was iets aan haar lichaam en haar houding dat mij in verwarring bracht. Ze had iets hoekigs. Als ze met haar rug naar ons toe stond, had je kunnen denken dat het een jongen was. Een goedgebouwde, niet al te grote man van een jaar of twintig. Maar als ze zich omdraaide, zag je meteen haar ronde borsten. Dat kwam door dat strakke T-shirt dat ze altijd aanhad. In de zomer eentje zonder mouwen. Dan moest ik me soms dwingen om niet de hele tijd naar haar borsten en haar bovenarmen te kijken. In haar gezicht zat datzelfde dubbele: een rechte kaak, een kleine mond, maar grote, zachte ogen. Ze lachte soms, maar altijd maar half. Alsof ze haar volle lach bewaarde voor speciale gelegenheden.

Jules keek naar haar werk en hij keek naar mij. Hij zag dat ik keek. Na een tijdje verdween zijn wrevel.
‘Als ik er niet meer ben, moet je haar houden’, zei hij op een dag. Hij pakte mijn hand. Ik knipperde mijn tranen weg en begon er maar niet over dat ik misschien wel zou verhuizen. Maar ik dacht er wel aan. Soms stelde ik het mij voor, het leven dat er voor mij nog zou zijn. Het hielp een beetje.

We zagen haar met de kruiwagen heen en weer gaan. Ze was compost aan het verspreiden, terwijl hij gevraagd had om daar nog een paar weken mee te wachten. Ze gaf geen uitleg, ze deed gewoon wat ze vond dat er moest gebeuren.

Na zijn dood kwam ze niet. Ze had nog drie werkdagen loon te goed. Ze kwam het niet halen en ik had de fut niet om het haar te brengen. Ik wist trouwens niet waar ze woonde.

‘Ik ben verhuisd’, zegt ze, alsof ze mijn gedachten leest. Ze noemt een provinciestad, die niet eens ver weg is, maar waar ik nog nooit ben geweest.
Ik kan mijn ogen niet van haar afhouden. Haar huid lijkt donkerder, of is haar haar lichter? Het zit vol zilveren streepjes. Ik ben blij dat ik juist vandaag een rok draag in plaats van mijn dagelijkse jeans die nog net niet versleten genoeg is om weg te doen.

Ik vraag of ze koffie wil, of iets anders? Koffie is goed, en zij vraagt of ze mag roken. Ik zoek een asbak en zet de tuindeur open.

‘Ik moet je nog wat betalen, maar ik heb niet genoeg geld in huis. Je bent niet meer gekomen.’ Ik zeg het in een adem om het niet als een verwijt te laten klinken, maar ze verontschuldigt zich toch. ‘Ik kan niet tegen die dingen’, zegt ze. ‘Laat maar, het was de moeite niet.’
‘Maar het waren drie dagen werk’, protesteer ik zwak. Ze wuift met haar sigaret, ‘laat maar zitten.’

Ik krijg ook zin in een sigaret. Al was het maar om iets vast te kunnen houden. Maar ik rook al lang niet meer. Ik keer mij naar de koffie die te traag doorloopt. Waarom ben ik zo zenuwachtig?

‘Geen melk, hé’, zeg ik, ‘ik weet het nog’. Ze geeft me haar halve lach en neemt de mok van mij aan. Onze vingertoppen raken elkaar. Deed ik dat of deed zij dat?

Ze drinkt vele kleine slokjes na elkaar. Ik kijk in de tuin en tik met mijn tanden tegen de mok omdat ik niet weet wat te vertellen. Ze kan niet tegen die dingen en dus zeg ik maar niets over mijn man die gezegd had dat ik haar moest houden. Maar de tuin van dit huis is belachelijk klein voor een tuinier. Ik doe het nu zelf. Ik heb de tomaten opgebonden. Er staat basilicum en peterselie bij, want dat gaat goed samen. Ik heb courgettes en een struik boontjes, maar die geeft niet zo veel. Salie en dragon, maar geen bloemen. Toch wel, een paar afrikaantjes tegen de witte vlieg.

‘Als je wil, zal ik je wat meststof brengen’, zegt ze, ‘ik heb een goed natuurlijk product.
Je krijgt het voor niets, ik heb een hele voorraad.’

Ze zou terugkomen.

‘Ik moet maar eens gaan’, zegt ze. Ze staat recht en ik volg haar naar de gang. Mijn hart klopt hard en snel.

Ze trekt de voordeur half open en draait zich om.
‘Ik …’
Ze maakt een houterige beweging in mijn richting. Haar handen nemen mijn schouders en ik schuif naar haar toe. Het stugge is plots weg. Het is al zachtheid wat ik voel. Haar buik, haar borsten, haar wang. Het houdt te snel op. Ze springt van de dorpel, zegt nog ‘tot woensdag’ en wacht niet op een antwoord. Gelukkig maar, want ik heb er geen.

Ik denk dat ik haar ga houden.

(Gepubliceerd in de verhalenbundel Labyrint uitgeverij ’t Verschil Antwerpen 2014)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s