Het Kapsalon

al jaren kom ik in dit kapsalon
de kapster kent mij (en ik haar )
verstaat mij met een half gebaar

hoe is het
zit je goed
mooi weer nietwaar
hoe kort mag het
heel kort
ik lach en knik
maar niet te diep
want anders stoor ik haar

ze woelt en kamt
wel goed gegroeid
en spreekt beleefd
niet over grijs of dun
wat stug toch hier en daar

een heel klein schaartje knipt
en knispert kleineschaartjestaal
haar hoofd gaat schuin
kijkt naar de krullen daar
de lippen lichtjes open

wat hou ik toch
van haar gespannen blik
niet vangen nee nu niet
zwijg en kijk
en droom maar
van het puntje van haar tong

voor ik een woord
over mijn lippen krijg
trekt ze de handdoek weg
geeft mij een spiegel

kust mij op mijn mond

het is gedaan zegt ze
doe maar je benen toe
en leg je neer
ik kom naast jou
want ik ben moe

(Vandaag getipt op http://azertyfactor.be door Luuk Gruwez:

“Het is een gedicht dat de lezer, mede vanwege zijn vanzelfsprekend parlando, aanvankelijk meesleept in een alledaagse sfeer waarmee iedereen vertrouwd is. Er lijkt op het eerste gezicht niets bijzonders schuil te gaan achter de relatie van de kapster en haar klant, de (vermoedelijk) vrouwelijke ik-persoon. De kapster verricht gewoon haar werk. Maar naar het einde toe blijkt dat Christine Van den Hove haar lezers op het verkeerde been heeft gezet. Vanaf de versregel ‘de lippen lichtjes open’ begint er iets als een erotische elektriciteit in de lucht te hangen. Waarop deze bekentenis volgt: ‘wat hou ik toch/ van haar gespannen blik’. En het gedicht krijgt een bijzonder apert erotisch timbre, wanneer de kapster de ik-persoon op de mond kust. Het knappe aan de slotregels zit niettemin in het feit dat de dichteres haar lezers over de precieze uitingen van seksualiteit enigszins in het ongewisse laat. ‘het is gedaan zegt ze/ doe maar je benen toe’: maar wat is gedaan, het kappen of nog iets anders; en waarom moeten die benen dicht? Het tafereel dat de dichteres hier heeft neergezet is lang niet zo gewoontjes als het begin van haar gedicht liet vermoeden. Haar poëtische voorbedachtheid getuigt van een zeker metier.”

Luuk Gruwez breekt voor het eerst door met de dichtbundel De feestelijke verliezer (1985). Zijn in 1994 verschenen prozadebuut, Het bal van opa Bing, krijgt de Geertjan Lubberhuizenprijs. Op Gedichtendag 2009 publiceert Gruwez het gedichtendagessay Pizza Peperkoek. Met onder meer zes gedichten in het Groot Verzenboek van Jozef Deleu en acht in Komrijs Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw geldt Gruwez als een van de meest gebloemleesde dichters in het Nederlandse taalgebied.)

5 gedachten over “Het Kapsalon”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s