Onrust

het ideale huis heeft
ruime kamers, licht
door grote open ramen
en zicht op groen

in de tuin sta jij gebogen
over de Toscaanse rozen

of je luistert, het hoofd
wat schuin, naar de zang
van een lijster of een vink

achter de meidoornhaag
liggen de sporen naar
het station op loopafstand

zodat ik ’s nachts
het reizen hoor
en weet – dat ik altijd

altijd weg kan gaan
en dan weer
thuis kan komen

Ik lees. Wat lees jij?

Een campagne van de Turnhoutse bibliotheek, waar Hadjira Hussain Khan, beloftevolle dichter en journalist, mijn roman Colombe aanraadt. Dank je wel, Hadjira!

Een lezer signaleerde me dat sinds de sluiting van uitgeverij/boekhandel Kartonnen Dozen het boek nog moeilijk te verkrijgen is. Gelukkig heb ik zelf nog een voorraadje. Wie dat wil, kan het boek rechtstreeks bij mij bestellen. Stuur een mailtje naar christinevandenhoveapestaartgmailpuntcom.

Proust

Zo trots op mijn zus, Elisabeth.

Op zondag 20 november wordt haar gedicht The Man Who Remembered in een programma over Proust op de BBC gelezen.

Hieronder het originele gedicht en de vertaling die we samen maakten.

The Man Who Remembered

I imagine Marcel on one of his nighttime excursions
to some den of iniquity or other, swathed in coats and
blankets, eating mashed potatoes in the back of the car.

The boy in the brothel is pale and slim, or tan and muscled
The man looks, but does not touch, just fumbles under the sheet.
Who knows, perhaps he remembers a girl from his youth?

His driver, once a lover, takes him back to where he belongs,
to the cork-lined sickroom strewn with manuscripts and proofs
where he swallows some pills that will keep him awake until dawn.

Minutely he reconstructs moment after moment,
smell and emotion, heartbeat by heartbeat,
thought by thought, into a brilliant mosaic
of fallen petals, depicting a past that is not his own.

Elisabeth Khan

Marcel

Ik stel me hem voor op een van zijn nachtelijke ritten, op weg
naar een of ander oord van verderf, gewikkeld in jassen en
dekens op de achterbank, een bord aardappelpuree op schoot.

De jongen in het bordeel is bleek en slank, of bruin en gespierd.
De man kijkt, raakt niet aan, roert zich slechts onder het laken.
Zou het kunnen dat hij terugdenkt aan een meisje uit zijn jeugd?

De chauffeur, gewezen minnaar, brengt hem waar hij thuishoort,
naar de ziekenkamer bekleed met kurk, vol manuscripten en proeven,
waar hij pillen slikt die hem tot de ochtend schrijvend houden.

Minutieus zet hij ogenblik na ogenblik in scène, elke
geur en gewaarwording, hartslag na hartslag, gedachte
na gedachte, in een schitterende mozaïek van gevallen
bloemblaadjes die een verleden belichten dat niet van hem is.

Elisabeth Khan/Christine Van den Hove

PS Voor wie het programma wil herbeluisteren: het gedicht begint op minuut 49.

Boekvoorstelling II

Een weekje na Ninove, volgt een presentatie in de kunstacademie van Geraardsbergen.

Ook Geraardsbergen komt voor in mijn roman. Bovendien ontmoette ik daar in 2012 een man die in de jaren vijftig leerjongen was bij mijn grootvader, de toenmalige stationschef van Zandbergen. Hij vertelde mij de stationscène en die scène hielp me op dreef met het schrijven van de uiteindelijke versie van Het huwelijk.

Een aantal leerlingen van het domein Woord van de kunstacademie zullen fragmenten uit Het huwelijk voordragen.

Hartelijk dank aan Kristien Van Damme en Lut Verstappen om deze extra presentatie mogelijk te maken.

Train jaune, zomer 2022

foto: Rémy Michelin

Villefranche
langs mijn kant zijn de ramen vuil
schijnt de zon in mijn ogen
er is geen andere plaats meer vrij

het spoor is smal
de bergen hoog
de ravijnen diep
de hellingen groen
en daartussen oranje bomen

de huizen hebben leistenen daken
en daar beneden, ver beneden
rijden autootjes
over meanderende wegen

de mensen ruiken nergens naar
ze glimmen
de nekken, schouders, armen rood
de meesten dik en ik
neem me weer eens voor
om nietiger te worden

mijn knieën raken de knieën
van een man die ik niet ken
en niet zal leren kennen
tijdens deze reis

de rit is lang, te lang
zegt hij

de tijd is slepend, nauw en warm hierbinnen
groot en breed daarbuiten
de lucht is wind
door het raam schijnt de zon
nog steeds in mijn ogen

om de tijd te sussen
vertellen mensen
dingen die we weten
ze drinken zuinig, eten niet
ze wachten en ze hopen
dat iemand afstapt
in Serdinya of Joncet

Olette
snelle, krommende wegen
met lege picknicktafels
geterrasseerde hellingen
ijzeren torens
zwarte kabels zonder vogels

nog twee uur en achtendertig minuten
de trein klimt
de tijd sleept
erachteraan

stenen muren ondersteunen de bergen

Fontpedrouse
de mensen dragen effen t-shirts
of bedrukte bloesjes en jurken

niemand stapt af
er stappen twee mensen op

iedereen vindt het hondje lief

de man aan de overkant tussen
wiens knieën de mijne gekneld zitten
zucht dat het warm is

hij kijkt naar mijn schrift
mijn hand en mijn potlood
en de andere kant op
als ik opkijk
en glimlach

muren met gewelven
door mensenhanden gebouwd

dieren bouwen geen muren
leggen geen wegen aan
lopend leggen ze
paden aan

de tijd is slepend
ik wou dat je hier was
en dat ik je alles kon vertellen

dat ik kon zeggen
kijk, die paarsroze bloemen
dat is wilde marjolein
kijk, de acacia’s, de dennen
het lijkt wel een bonsaibos

kijk, de netten tegen de wanden

de dennen als kaarsjes tegen de hellingen geplakt
als het maar niet gaat branden

de toppen van de bergen zo dichtbij
de schaduw van de wolken
op het groen op het grijs

kijk, de brug die we niet kunnen zien
omdat we er zelf over rijden

kijk, de ontblote dennen
grote tandenstokers
als het maar niet gaat branden
als het maar niet gaat branden

de trein sleept ons door het gebergte
kijk, de witte bast van berken

de omgevallen, omgewaaide,
doodgebliksemde bomen

de trein rijdt zo traag dat we de namen
van bloemen kunnen noemen
voor ze uit het zicht verdwenen zijn
sintjanskruid
salomonszegel
immortelle

Mont Louis
er stappen drie mensen en een hond uit
daarna willen er twaalf
naar een plaats in een open compartiment
(de wind door de haren, hoeden gaan vliegen
nek en schouders en neuzen verbrand)

de weiden
nu komen de weiden
hier lopen de gelukkigste paarden

wachthuisjes langs het spoor
bewoond door zomergasten

rijke huizen met aflopende daken
houten luiken aan de ramen
gesloten

nieuwe huizen met dorre tuinen

holtes, inkepingen
littekens
onbehaarde plekken
in de baarden van de bergen

nog zes haltes
nog zes mensen in de wagen
als je door het raam hangt kun je
de achterkant van de trein zien

zwaaien naar mensen in auto’s
in de kruisende trein, op balkons
terrassen en in tuinen
na tien keer doe je mee

Saillagousse
altitude 1302,39 m

hier is nu daarboven
en hier is de tijd
eindelijk slepend
groot en breed

rijen nooit geknotte wilgen
omgevallen omheiningen

zwaaien naar mensen
een man en een vrouw
en een hond die ik niet ken

een meisje in short
filmt de trein met mij erop
zwaaiend

Err
eindelijk alleen in de wagen

in vierkanten versneden weiden
borstelige bodems
schuren en silo’s
houtzagerijen

geelgeverfde bijenkasten
bomen met hangende peulen
gesneuvelde stronken
geknotte tronken

hooibalen in zwart plastiek
reuzenkeutels in bleke weiden

Sainte Leocadie
magere koeien bij kortgegraasd gras
aan de overweg toeterende auto’s

een meisje neemt een foto van de trein
met mij aan het raam

Bourg Madame
de trein vertraagt
mijn haar is nat
het water op

mijn lippen plakken aan elkaar

en net voor hij tot stilstand komt
weet ik het weer

die keer dat we kussend
waren ingeslapen
we aan elkaar vergroeid
verwonderd wakker werden

hoe voorzichtig, velletje na velletje
onze lippen losgeraakten

te laat
onze cellen hadden zich
vermengd

Puigcerda
een kamer voor een nacht
dubbelbed
geboekt, betaald
en ja, het klopt, meneer
ik ben alleen

zij is niet meegekomen

Rose Garrigue

bij Louise en bij jou
plant ik Toscaanse rozen
boerenbloemen, zegt de plantenman
je hoeft er niet naar om te kijken

snoei ze niet
ze worden groot en wijd
en mettertijd zullen ze
de heuvel overgroeien

toch kijk ik iedere avond om

in het gouden uur
geef ik water
tel de jonge knoppen
groet de dames en de heren
en blijf treuzelen op het veld
tot de zon het dorp verlaat

Ici repose
Rose Garrigue
décédée le 10 février 1939
à l’age de 58 ans
Priez pour elle

(Dit gedicht maakt deel uit van de reeks Tumulus, over de oude begraafplaats in Glorianes.)

Onzin

laten we de tijd vragen
om wat langer te blijven
laten we hem aaien
en zeggen hoe lief hij ons is

en hem tijd geven
voor wij hem nemen

of zullen we zijn willekeur
verdragen

laten we naar buiten
gaan

een houtbij in de nachtschade
van bloem tot bloem
volgen

en de tijd – die onzin –
negeren

Zomernacht

slaap, liefje
slaap jouw kreunende
knorrende slaap

ook al zwijgen cicaden en mussen
de nacht is niet stil

machines zoemen
kastdeuren kraken
vloerplanken zuchten

slaap, liefje
slaap jouw blauwe
blinde slaap

de nacht is niet donker
binnen de lichtjes altijd aan

buiten zwerven beren
– grote en kleine –
rond de grauwe maan

slaap liefje
slaap jouw zoete
zwetende slaap

bomen rillen van koorts
gras ruikt naar rook
wind brengt geen regen

slaap, liefje
slaap diep, nu het nog kan
muggen laten je met rust

maar in onze schoenen
wachten de wespen