Monsieur Joly

Hij loopt met korte pasjes door de gang, een boekentas in de hand of onder zijn arm geklemd. Zijn korte lichaam is recht, alleen zijn schouders zijn gebogen. Zijn haar is donkergrijs, en plat tegen zijn hoofd gekamd.

‘Hij kwam naar me toe,’ zei mijn moeder.
‘Vous êtes encore plus belle, comme ça,’ had hij gezegd, nadat ze een goedaardig gezwelletje van haar neus had laten verwijderen.

Ik was er niet bij, ik stelde het me voor. Mijn moeder en mijnheer Joly tegen over elkaar in de gang, haar looprekje tussen hen in. Mijn moeder wat schaapachtig knikkend en dan makend dat ze wegkwam. Mijnheer Joly die haar teder nakijkt.

Ze vertelde het lichtjes geamuseerd en misschien ook wel geflatteerd. Ik probeerde haar lachje te lezen, maar ik kreeg er geen hoogte van.

***

Mijnheer Joly is de weg kwijt. In zijn kamer wordt de vloerbedekking vernieuwd en hij kan maar niet wennen aan zijn tijdelijk verblijf in een andere kamer. Hij dwaalt door de gang zonder boekentas. Af en toe kijkt hij schichtig de kamer van mijn moeder in.

Ik ga naar hem toe.
‘Comment va-t-elle ?’ vraagt hij.
‘Elle est très fatiguée,’ zeg ik.
‘Mais, ça va s’arranger, non ?’ Hij kijkt me recht aan.
Ik schud langzaam mijn hoofd.
‘C’est la fin!’ roept hij uit.
Hij pakt even mijn hand vast, draait zich om en loopt de verkeerde richting uit, naar zijn tijdelijk onbewoonbare kamer. Zijn schouders schokken.

Een paar dagen later ga ik het hem zeggen.
Zijn neus wordt rood, hij haalt een witte zakdoek uit zijn broekzak, dept zijn ogen, poetst zijn bril.
‘Elle était adorable ! J’aimais tellement votre maman…’
Hij draait zich om en gaat zijn kamer in. Die is inmiddels klaar, ik ben blij dat hij weer in zijn vertrouwde omgeving kan zijn.

Ze zouden een mooi paar geweest zijn, mijn moeder en mijnheer Joly.

Advertenties

Apache

Ik hou niet van telefoneren. Ik heb er geen verklaring voor, het is gewoon zo. En het wordt erger met de jaren. E-mails versturen en ontvangen vind ik wel fijn, maar daar gaat dit verhaal niet over.
Behalve mijn mobiele telefoon, waarin een Belgisch nummer en een Frans nummer zit, heb ik ook nog een satelliettelefoon. Die was inbegrepen in mijn internetverbinding. Ik bel er zelf nooit mee. Het is een vervelend toestel want de gesprekken komen met vertraging door, zodat de beller en ik soms door elkaar praten. Mogelijk heeft dit toestel mijn telefoonfobie nog verergerd.
Telefoneren in het Frans vind ik het ergst van al. In een gewone conversatie trek ik me goed uit de slag en zelfs sms’en en e-mailen gaat vlot. Maar aan de telefoon gaat het meestal mis. Ik versta de beller slecht, ik begin gegarandeerd te stotteren en ik hoor mezelf fouten maken.

De weinige mensen die mijn satellietnummer hebben zijn Nederlandstalig, vandaar dat ik, toen mijn telefoon gisteren overging, hem zonder hartkloppingen opnam. Maar voor ik er erg in had, was ik in een chaotisch Franstalig gesprek verwikkeld met een zekere Gianni. Ik kon hem heel moeilijk verstaan, hij sprak snel en ongearticuleerd en hij had het over een briefje met mijn telefoonnummer dat ik ergens achtergelaten zou hebben. Ik begreep er niets van en ik zei dat het wellicht een vergissing was, maar hij hield niet af. Ik hoorde ook een vrouwenstem naast hem die hem leek aan te moedigen. Ik probeerde meer te weten te komen, maar het enige wat ik nog kon verstaan was dat ik ‘du boulot’ voor hem zou hebben. Ik begon iets van de vasthoudendheid te begrijpen, maar ik moest hem teleurstellen. Het was een vergissing zei ik, klaar om in te leggen.
‘Maar is dit dan niet uw nummer?’ vroeg hij en hij ratelde mijn satellietnummer af.
Dat moest ik natuurlijk toegeven, anders was hij niet bij mij terecht gekomen.
‘Ik heb in ieder geval geen briefje achtergelaten,’ zei ik. Ik was trouwens een paar dagen de deur niet uit geweest, want het regende al achtenveertig uur aan een stuk.
Ik hoorde hem stilaan opgeven en haar ook. Nu de woordenstroom wat minderde, profiteerde ik ervan om het gesprek af te ronden en in te leggen.

Het was onprettig. Ik stelde mij Gianni en zijn vrouw voor met het briefje waarop mijn nummer stond dat iemand bij hen onder de deur geschoven had. Ik had er geen idee van hoe ze eruitzagen, maar ik kon de teleurstelling op hun gezichten raden.

Een paar uur later belde hij terug. Zijn vrouw was er ook weer bij. Hij stak hetzelfde verhaal af, alsof we elkaar nog niet eerder gesproken hadden. Ik herinnerde hem aan het vorige gesprek. Maar hij bleef het over dat briefje met mijn nummer hebben.
Toen vroeg hij of mijn man thuis was.
‘Ik heb geen man’, zei ik. En ik had meteen spijt dat ik dat gezegd had. Want wie was die Gianni eigenlijk? En wat voor informatie probeerde hij mij te ontfutselen?
‘Het spijt me, ik kan u niet helpen’, zei ik. En toen zei ik nog eens ‘je suis désolée’ en ik legde in.

De hele avond bleef ik aan die twee gesprekken denken, aan Gianni en zijn vrouw die hun hoop op een klusje in rook zagen opgaan omdat het nummer niet klopte. Misschien dachten ze dat ik het wel was geweest met dat briefje, maar dat ik van gedacht was veranderd en het klusje niet meer aan hen wou geven. Misschien zonnen ze nu op wraak.
Het hield me ook bezig of ik wel spijt mocht hebben van het feit dat ik gezegd had dat ik geen man heb. Was dat geen misplaatst wantrouwen? Ik werd er meer en meer onrustig van.

Rond negen uur ging de telefoon weer over. In weerwil van mijn telefoonangst, hoopte ik dat het Gianni was. Ik zou hem vragen om traag te spreken en alles nog eens met hem doornemen. Misschien was er een twijfelachtig cijfer in het nummer.

Maar het was een andere meneer. Zijn stem klonk ouder.
‘Solange?’ was alles wat hij vroeg.
‘Nee,’ zei ik, ‘Hier is geen Solange.’
Ik zei mijn naam maar niet. Hij excuseerde zich en legde in.

Had die man misschien het briefje van Gianni in handen gekregen? En dacht hij misschien dat het een streek van Solange was? In mijn hoofd ontrolde zich een Franse zwart-witfilm met een jonge Belmondo als Gianni en Jean Gabin als de laatste beller.

Op één dag had ik vier mensen leren kennen: Gianni en zijn vrouw, de oudere man en Solange. Maar meer dan vier personages in dit verhaal zullen ze niet worden, want er werd niet meer gebeld via de satelliet.

***

Vanmorgen zat er een bedelaar bij de ingang van de natuurwinkel in Prades. Voor een bedelaar zag hij er netjes gekleed en weldoorvoed uit. Maar hij zat op een muurtje met een paar muntjes voor zich uitgestald en hij sprak iedereen die passeerde buitengewoon vriendelijk aan. Achter hem zat een magere vrouw naar de grond te staren. Af en toe fluisterde ze iets in zijn oor. Ik was niet van plan om hen iets te geven. Toen ik naar binnen wou gaan, kwam er net een dorpsgenote naar buiten met een volgeladen winkelwagen. Voor we met elkaar in gesprek geraakten, ging ze naar de bedelaar en gaf hem een fles vruchtensap. Uit het contact dat ze hadden, begreep ik dat ze dat hadden afgesproken: geen geld, wel iets te eten of te drinken. Ik vond dat slim van haar.

Het paar deed me denken aan Gianni en zijn vrouw. Ik dacht erover om zijn naam te vragen. Als het nu eens Gianni was? Dan kon ik meteen de zaak rechtzetten.
Ik raapte mijn moed bijeen en vroeg hoe hij heette.
‘Apache,’ zei hij, ‘comme l’indien.’
Zijn vriendin heette Geneviève.
Het voorbeeld van mijn buurvrouw volgend vroeg ik wat ik voor hen kon meebrengen uit de winkel. De vrouw schudde haar hoofd: ‘Niets.’
Apache bestelde melk.
‘Demi-écrémé de préférence, s’il vous plait.’
Ik kocht twee dozen melk en gaf ze bij het naar buiten komen aan Geneviève, want Apache was al weg.

Op de terugweg naar huis begon ik me af te vragen of ik Gianni’s naam wel goed verstaan had. Ja, toch wel, hij had hem verschillende keren genoemd. Of zou het kunnen dat Apache de artiestennaam van Gianni was?

Veel fantasie hebben is soms lastig.

Concha’s kinderen

DSCN4244Leestijd: 7 min

Heeft de trein naar Prades vertraging of heeft ze hem gemist vandaag? Concha kijkt eerst naar de stationsklok, dan naar het elektronisch bord en besluit dan dat hij te laat is. In ieder geval later dan gewoonlijk. Op het perron staat niemand aan wie ze het kan vragen, behalve de twee jongetjes die net als zij elke woensdag de trein nemen en bij de tweede halte, in Saint-Feliu-d’Avall, al uitstappen. Het lijkt niet erg praktisch om aan hen te vragen of ze soms weten of de trein vertraging heeft, maar ze gaat toch dichterbij staan. Ze willen immers op dezelfde trein en er is duidelijk iets niet in orde.
Nu verschijnen er rode cijfers naast het vertrekuur op het elektronisch bord. ‘Hij heeft acht minuten vertraging,’ zegt de oudste jongen half tegen zichzelf, half tegen haar. Ze knikt. Er is iets vreemds aan de jongen. Iets dat haar nieuwsgierigheid wekt en haar tegelijk op afstand houdt. Het zijn de flipflops, denkt ze eerst. Het zijn slippers met goudkleurige bandjes, een maat te groot. Misschien zijn ze van zijn moeder, denkt Concha en in gedachten ziet ze een vrouw die haar kind goudkleurige slippers doet aantrekken omdat hij de trein moet halen en hij zijn sandalen niet vindt. Het zijn die kleren ook, dat gebloemde hemd op een geruite short. En dat gezicht van die jongen. Het zijn de tanden. Nu ziet ze het. Hij heeft erg grote tanden. De jongen glimlacht naar haar. Aan zijn gestalte schat ze hem een jaar of tien. Maar dat gezicht, die oplettende ogen, hij lijkt ouder.
Het broertje -zou het zijn broertje wel zijn?- ziet er heel anders uit. Een bleek gezichtje, grote donkere ogen, lange wimpers. Een kind dat nog een kind is. Hij komt naast haar staan en pakt haar hand. Het handje plakt. Ze wil het van zich afschudden maar doet het niet.
‘Oma,’ zegt het kind.
Ze schrikt. Zie ik er zo oud uit? Ze probeert het handje los te laten, maar het houdt stevig vast. Het broertje komt ertussen.
‘Laat los, Audric! Dat is oma niet. Oma is dood.’
Hij kijkt haar verontschuldigend aan. De trein dendert het station binnen. Acht minuten geleden waren ze nog vreemden voor elkaar. Nu stappen ze op, met hun drietjes. De oudste voorop, dan Concha met Audric aan haar hand.
 
***
 
Voor de kinderen maakt de richting niet uit. Concha zit graag met de rug naar Perpignan en het gezicht naar Prades. Weg van haar werk in het rusthuis waar ze al vierentwintig jaar de vloeren dweilt en de badkamers poetst. Op weg naar haar appartement in Prades, met het gezellige terrasje achteraan en de smalle keuken waar ze vanavond fideuà zal koken voor haar zoon Enrique.
Ze kan nu niet denken aan Enrique en aan wat ze nog moet kopen voor het avondeten -zure room niet vergeten- want de kleinste klimt op haar knieën. Hij knijpt in haar been tijdens het klimmen en het doet pijn, maar nu ze weet dat hun oma dood is, kan ze het niet over haar hart krijgen om hem meteen van haar schoot te tillen.
Audric zoekt een plekje dat lijkt op het plekje van oma, ergens in het midden van haar dijen, zodat hij stevig zit en zijn hoofd tegen haar schouder kan leggen zonder om te vallen. Concha’s handen willen hem helpen, hem tegen haar lichaam trekken, maar ze laat haar handen op de zitbank rusten.
Ze vraagt aan de oudste jongen hoe hij heet. De trein zoeft en de wagon rammelt, daarom komt hij naast haar staan. ‘Fabien,’ zegt hij in haar oor. Fabien en Audric. Ze vragen haar niet hoe ze heet. Voor Audric is ze ‘oma’.
‘Ben jij een oma?’ vraagt Fabien. Ze schudt haar hoofd. Ze liegt. Ze weet meteen dat ze liegt, ze was het niet vergeten, maar het is te laat, ze heeft haar hoofd geschud.
‘We moeten eruit in Saint-Féliu,’ zegt Fabien.
‘Wonen jullie daar?’ vraagt ze, om iets te vragen, om iets te zeggen, om niet meer te moeten liegen.
‘Mama woont daar,’ zegt Fabien, ‘en papa woont in Perpignan’.
‘En wij wonen in de trein.’
Hij lacht zijn grote tanden bloot om zijn eigen grapje. Hij blijft naast haar staan in het gangpad, de voeten gespreid om zijn evenwicht te bewaren. Als de trein schommelt, houdt hij zich even vast aan de rugleuning van de bank waarop ze zit. Maar als hij in evenwicht is, houdt hij de handen in zijn zijde. Nog iets wat hem ouder doet lijken, alsof hij gehaast is om bij de grote mensen te horen.
Concha voelt zich ingepalmd, overmeesterd. Ze is te verbaasd om te denken en nog vragen te stellen. Fabien vertelt, de handen op de heupen, over mama’s huis met een tuin en een notelaar, waar ze straks noten zullen rapen -de afgelopen dagen zullen er weer veel gevallen zijn- en waar ze zullen wachten op mama, in de tuin of bij de buurvrouw soms.
Audric ligt nog steeds tegen haar schouder. Een handje -niet het kleverige- dwaalt rond haar hoofd, voelt aan haar oorbel en aan de clip in haar haar. De kam komt wat los. Straks, als ze uitgestapt zijn, zal ze haar kapsel wel weer in orde maken.
 
***
 
In Saint-Féliu staan ze te zwaaien. Ze blijven zwaaien tot de trein zuchtend optrekt. Concha zwaait tot ze kramp in haar arm krijgt, tot ze uit het zicht zijn.
Waar was ze gebleven? Bij Enrique die vanavond komt eten en de fideuà die ze voor hem zal koken. De inktvis ligt al in de koelkast, vermicelli heeft ze altijd in huis. Witte wijn en zure room moet ze nog halen. Enrique zal haar ophalen en ze zullen samen boodschappen doen. Ze zal zich weer ergeren aan zijn sloomheid. Van wie heeft hij dat? Ze kan zich nauwelijks zijn vader herinneren. Hij was al weg voor zijn zoon geboren werd. Als Enrique nu eens een vrouw vond, een fijne jonge vrouw, een schoondochter. Ze zouden nog kinderen kunnen krijgen. Enrique en de schoondochter die ze in gedachten heeft, ze probeert het zich voor te stellen, maar het werkt niet. Enrique en een vrouw. Het zou een wonder zijn. En dus onmogelijk.
Bijna even onmogelijk als zelf nog kinderen krijgen. Er komen geen kinderen meer. Ook al liegt ze dat ze geen oma is, ze heeft er de leeftijd voor. Ook al ziet ze er jong uit, draagt ze jeans en sneakers, verft ze haar haar donkerrood en draagt ze grote zilveren ringen in haar oren. Ze is oma.
Ciri kent haar oma niet. Ze weet misschien niet eens van haar bestaan. En Concha weet alleen dat ze Ciri heet -aan de naam is ze gewoon geraakt- en dat ze nu negen is. Zou ze vragen stellen aan Blanca, haar mama?
‘Heb jij een mama? Heb ik dan een oma? Waar is ze dan?’
Ze legt haar moeder op de rooster tot Blanca zwicht en zelfs inziet dat het gedaan moet zijn met die onzin. Dat zij, Blanca en Ciri, samen oma Concha zullen opzoeken. Ze woont nog steeds in dat kleine flatje in Prades. Ze zal niet verhuizen, want ze hoopt dat Blanca op een dag aan de deur zal staan. Ze zullen elkaar om de hals vallen en om vergeving vragen. Wie moet wie vergeven? Ze weten het al niet meer. Ze zullen lachen en huilen, zoals je dat soms op de televisie ziet.
Concha kijkt niet meer naar dat soort programma’s. Ze kent haar dochter. Haar koppigheid. Ze weet niet meer hoe het begonnen was, maar wel nog de woorden. Hoe gewond ze zich had gevoeld. Hoe waar het was dat ze Blanca teveel alleen had gelaten. Dat ze niet had nagedacht over wat met een meisje kan gebeuren, een kind nog. Dat ze soms bij een minnaar was gebleven in de hoop dat hij bij haar en haar zwijgzame zoon en opstandige dochter zou komen wonen. Was ze daarom slecht? Verdiende ze dat woord? Dat woord dat ze zelf nooit zou gebruiken?
De trein vertraagt en maakt een bocht. Tussen Vinça en Marquixanes komt de Canigou in zicht. Hij is grijsbruin en zwart aan de top, het is nog te vroeg voor de eerste kraag sneeuw. Ze houdt van de Canigou, van zijn massieve aanwezigheid, zoals iedereen die hier woont ervan houdt. Hij is troost en belofte voor al wie dat soms nodig heeft. Soms kijkt ze minutenlang naar de bergen vanop haar terrasje en denkt aan het land dat daarachter ligt. Ze is nooit meer de grens overgestoken. Spanje is te groot, waar moest ze beginnen zoeken?
 
***
 
Enrique staat bij het hekje waar hij al die jaren elke woensdag staat. Nadat Blanca vertrokken was, werd het snel een gewoonte. In het begin hadden ze het nog dikwijls over Blanca gehad. Waarom toch? Waarom zo plots? Waarom was ze zo kwaad? Wat had ze misdaan? Waarom zonder adres, zonder telefoonnummer achter te laten? Enrique had geen antwoorden. Hij luisterde en knikte of schudde zijn hoofd. Hij klaagde niet. Hij zei nooit : ik ben er ook nog, mama. Hij zei dat niemand in de streek zo‘n lekkere zarzuela kon maken als zij. Ze deed haar best. Ze wou dat hij bleef komen.
Hij blijft komen. Het is een gewoonte. Nee, het is meer dan een gewoonte, het is trouw. Trouw, dat is het woord dat bij Enrique past. Sloom, maar trouw. En dan hoopt ze weer heel even dat hij iemand vindt die van hem houdt. Een vrouw, of toch iemand.
Zoals hij daar staat, de handen in de zakken. De rust, de kalmte die hij meebrengt als hij in haar richting komt en haar op beide wangen kust. Ze slaat haar armen om zijn nek.
‘Hijo mío,’ fluistert ze. Hij maakt zich glimlachend los uit haar omhelzing en zegt dat ze laat is.
‘De trein had al vertraging in Perpignan,’ zegt ze, ‘dat is nog nooit gebeurd. Deze niet.’
Ze ziet weer de rode cijfers op het bord, ze denkt aan de warme adem van Fabien in haar oor, ze voelt nog wat plakkerigheid in haar hand. En ze weet zelf niet zo goed wat haar blij maakt.

Sinds Birte

Leestijd: 10 min
Sinds Birte gestorven is, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat er iets niet klopt. Erger nog, dat er iets helemaal verkeerd is. Natuurlijk is het verkeerd dat Birte er niet meer is. Het duurt altijd een paar tellen eer dat besef tot mij doordringt. Maar het is nog iets anders. De dag begint op een manier waarop hij niet zou moeten beginnen. Ik word wakker in een smal bed in een ruime kamer. Iemand trekt de gordijnen open en zegt goeiemorgen. Op het veel te kleine schrijftafeltje staat een blad met een saai ontbijt: een kop lauwe koffie, drie sneetjes wittebrood, een kuipje aardbeienconfituur en een rechthoekje boter.
Daar begint het al. De koffie zou heet en sterk moeten zijn en vooral, door mij gezet. In de keuken. Waarom heb ik geen keuken meer?

Na het ontbijt komt een meisje vragen of ik hulp nodig heb bij het wassen en aankleden. Ik schud mijn hoofd. Ze trekt de deur meteen weer dicht. Ze kent het antwoord, maar ze moet het vragen. Ik ben nog altijd in staat om een broek en een hemd aan te trekken, en mijn kleren zou ik liever zelf wassen. Ik zou niet zo’n rare plooi in mijn broek strijken, ik zou de kraag van mijn hemd wat rechter zetten. En ook geen vouwen in de mouwen alstublieft.

‘Niet moeilijk doen, liefste,’ zou Birte zeggen. ‘We hebben hier alles wat we nodig hebben.’ En dat was ook zo. Zolang Birte zorg en vooral veel aandacht nodig had, was het handig om niet te moeten koken, poetsen, strijken. Lezen of naar de tv kijken ging ook niet, maar dat vond ik niet erg. Dat zou later wel weer komen. Want er zou een later komen, zonder haar en zonder de kabbelende gesprekjes tussen ons.
Die mis ik nog het meest. Birte was graag aan het woord. Over de ergernis die ik daarbij soms voelde, heb ik nu spijt. Maar spijt en woede –woede, omdat ze weg is- daar koop ik niets mee. Dus leg ik spijt en woede opzij en probeer ik de dag door te komen. Meer lukt me voorlopig niet. Al moet er iets gebeuren. Morgen misschien, of volgende week.

Om tien uur liggen de kranten in het salon. Er eentje van de tafel grissen en meenemen naar je kamer wordt niet op prijs gesteld. Nee, het is de bedoeling dat we samen de koppen doornemen, om aan te tonen dat we nog bij ons verstand zijn. We zijn met niet velen die dat nog kunnen. De animatrice test elke dag onze kennis van aardrijkskunde, geschiedenis en politiek. Het is een knap meisje. Ze heeft kort zwart haar, wat langer in haar nek, en ze heeft een blinkend steentje in haar neusvleugel. Ik kan het niet laten om haar na te kijken als ze door de gang loopt. Ze heeft brede schouders –zou ze zwemmen?- en een jongensachtige tred. Ik denk dat ze is zoals wij, maar ik durf het haar niet te vragen. Zou ze het weten van mij? Ze kan er toch moeilijk naast kijken? Maar ze heeft geen oog voor mij. Ze spreekt me beleefd aan met mevrouw zoals ze dat hier met iedereen doen. Mevrouw, mijnheer. Als er nieuw personeel is, want het wisselt nogal, is er al eens eentje bij die zich vergist en mij met mijnheer aanspreekt. Ik verbeter ze niet, ik ben het gewoon. Na een dag of twee zien ze hun vergissing in.

Mevrouw Simons is ook weer bij het krantenuurtje. Haar man heeft ze in hun kamer gelaten. Ze luistert gespannen naar de vragen, de ogen half gesloten, de handpalmen op de tafel, en ze probeert als eerste te antwoorden. Uitsloofster. Als het krantenuurtje voorbij is, mogen we de krant van vandaag in het salon lezen. Die van gisteren mogen we mee naar de kamer nemen. Met oud nieuws onder de arm slof ik naar mijn hol. Ik moet het samenzijn in een ruimte met anderen doseren. Langer dan een uur kan ik nog niet aan.

In het restaurant blijkt mevrouw Bernards mijn plaats te hebben ingenomen. Ik overweeg om haar rolstoel achteruit te trekken, een stoel bij te schuiven en te gaan zitten, maar uit goed fatsoen blijf ik staan bij de tafel waar ik tot voor kort nog met Birte zat. De zaalverantwoordelijke neemt me bij de arm en leidt me een paar tafels verder.
‘We dachten dat u hier beter zou zitten,’ zegt ze. Ze schuift een stoel achteruit en nodigt me uit om te gaan zitten. Bij Simons en haar man, en nog een kale man die ik wel al gezien heb, maar verder niet ken. De mannen zitten in een rolstoel en alsof ze behalve hun benen ook hun handen niet kunnen gebruiken, begint Simons water in hun glazen te gieten. Ik leg mijn hand op mijn glas en zeg bijna onhoorbaar ‘Nee, dank u’.
‘Drinkt u wijn?’ vraagt Simons, ’Gezellig, dan ben ik niet alleen.’

Er komt een karafje met een halve liter rosé op tafel. Ik giet haar glas voor driekwart vol, dan het mijne en ik zet het karafje langs mijn kant. Zo zal ik het vanavond en morgen ook doen. De nieuwe situatie meteen goed beheren. Ik hoor het klaterende lachje van Birte.
‘Zo ken ik je weer’, zou ze zeggen. Dat er zowel bij de lunch als bij het diner wijn bij het eten werd geserveerd was het doorslaggevend argument om voor dit etablissement te kiezen. Ik vond het anders wel erg duur, maar Birte vond dat we onszelf niets tekort mochten doen. Voor haar lagen de zaken anders dan voor mij, daar stonden we toen niet bij stil.

Mijnheer Simons kijkt verongelijkt naar de karaf wijn.
‘Hij heeft suikerziekte,’ verduidelijkt mevrouw. ‘Nee, man’, zegt ze, ‘het mag niet van de dokter.’
‘Man’, zegt ze tegen hem. Heeft hij geen naam? Zij heet Emma, ben ik intussen te weten gekomen. Als hij tegen haar praat is het Emma voor en Emma na. Behalve suikerziekte heeft hij een rothumeur en een aanleg tot zeuren. De man naast hem kijkt in zijn bord en in zijn glas water en doet of hij er geen last van heeft. Ik volg zijn voorbeeld en doe of ik niet zie hoe Emma Simons naar mij kijkt en hoopt op een aangenaam tafelgesprek.
Na het dessert maak ik dat ik wegkom, dankbaar dat ik niet in een rolstoel zit en moet wachten op iemand die mij naar mijn kamer brengt.

Mijn siësta bestaat uit drie kwartier naar het plafond kijken en me afvragen of ik naar het salon zal gaan of in mijn kamer blijven. Het wordt in de kamer blijven. Ik heb geen zin in mandala’s kleuren. Als er op de deur geklopt wordt, ben ik er zeker van dat het Emma Simons is. Het personeel klopt niet. Ze komen gewoon binnen, of ik in mijn onderbroek sta of niet, ze zien niet eens het verschil.

‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze.
‘Nee’, zeg ik en ik probeer de deur weer dicht te duwen. Maar ze heeft al een voet binnen en kijkt nieuwsgierig de kamer in.
‘Mag ik Cécile zeggen? Ik ben Emma.’
‘Het is Sil’, zeg ik, norser dan bedoeld.
‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze dan. Ik doe een stap achteruit.

Ze komt binnen en blijft bij de schrijftafel staan. Ze kijkt een paar seconden naar de foto van Birte alsof ze bij een graf staat. Ze is een vrouw van de wereld, er is iets sjieks aan haar en voor het eerst voel ik wat van mijn afkeer wegzakken. Ik heb geen afkeer van haar, maar van iedereen die hier nog levend rondloopt, bedenk ik plots. Ik voel een snik opkomen, maar ik verman me. Ik wijs haar een stoel en ga zelf in de fauteuil zitten. Ik strijk over mijn knieën en probeer de vouw in mijn broek wat minder scherp te krijgen.

Als ik opkijk, zie ik haar vriendelijke gezicht. Vriendelijk, ik moet het toegeven. En mooi. Haar zilvergrijze haar is recht afgeknipt op kinhoogte. Ze heeft wat lipstick op, maar verder is ze niet opgemaakt.
Ze vraagt hoe het nu met mij is. Ik haal mijn schouders op.
‘Waren jullie … was zij je vriendin? Ik bedoel …’
Ik voel mijn stekeligheid weer opkomen. Heeft ze dan geen ogen in haar kop? Ik toon haar mijn ring.
‘We waren getrouwd,’ zeg ik.
Ze knikt en kijkt dan rond in de kamer op zoek naar een nieuwe vraag. Dan staat ze op.
‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze weer. Ik schud mijn hoofd.
‘Ik kan je niet in mijn kamer uitnodigen’, zegt ze dan, ‘mijn man …’
‘Ik begrijp het,’ zeg ik en ik denk: gelukkig maar.

Sinds Emma in mijn kamer is geweest doe ik aan tafel iets meer moeite om hoffelijk te zijn. Tegen Emma tenminste. De mannen negeer ik. Ook tijdens het krantenuurtje doe ik mijn best. Het krantenmeisje is zichtbaar opgetogen met mijn toegenomen ijver. Ze snijdt spannende onderwerpen aan en vraagt op een dag in welke landen het homohuwelijk is toegestaan. Emma kan ze bijna allemaal opnoemen. Het krantenmeisje kijkt in mijn richting en knipoogt. Ik krijg het warm en ik zet een extra knoopje van mijn hemd open. Bloost ze? Of beeld ik me dat in?

Tijdens de siësta vertel ik Birte over Chris, het krantenmeisje.
‘Je bent nu vrij,’ zegt Birte, ‘Maar is ze niet wat jong voor jou?’
Natuurlijk, veel te jong, hoe dwaas van mij.

Emma Simons staat weer aan de deur. Ze vraagt of ze binnen mag komen. En of ik zin heb om met haar een dagje naar zee te gaan.
‘Naar zee? Hoe dan? Met de trein? Met begeleiding?’
‘Maar neen, Silly, we gaan toch gewoon met de auto?’
Ik kijk verbaasd daar de sleutel in haar uitgestoken handpalm.
‘Hij staat hier op de parking,’ zegt ze, ‘voor als we op stap willen gaan. Maar met die rolstoel is het zo’n gedoe.’

Het lijkt lang geleden dat ik nog in een auto zat en nog langer geleden dat ik zelf aan het stuur was. Birte en ik namen de laatste jaren het openbaar vervoer. Emma merkt dat ik me aan de stoel vasthoud en dat ik mee rem.
‘Ik kan het nog, hoor’, zegt ze, ‘maar als je wil, mag jij straks rijden.’

Op een rustige weg in de polders wisselen we van plaats. Het is even wennen, maar dan is het als fietsen. Ik leg mijn elleboog door het open raam en stuur losjes met een hand. Emma laat zich ontspannen achteruit zakken in de passagiersstoel. Ze stift haar lippen wat bij en zet een zonnebril op. Ik concentreer me op de weg.

Aan de kust is het rustig. Op de dijk niets dan oude mensen.
‘Wij zijn ook oud,’ zegt Emma, ‘maar hier, hier kan je nog wandelen.’ Ze steekt haar arm door de mijne.
We eten zeetong en drinken er een glas chablis bij. Daarna een ijsje op een bank. Even met de blote voeten in het zand. Voor we weer in de auto stappen, wijst Emma naar de appartementen op de dijk.
‘Er staat hier veel te koop,’ zegt ze.

***

Mijnheer Simons heeft een andere tafel geëist en gekregen. Hij zegt dat ik niet normaal ben en dat ik een slechte invloed heb op zijn vrouw. Ze zitten nu bij het raam met een ander echtpaar. Ik zie Emma haar best doen om een gesprek op gang te krijgen, maar noch de man, noch de vrouw zijn gewillig. Mijnheer Simons houdt zijn mes rechtop in zijn vuist, alsof hij wil laten zien wie de baas is.

Aan mijn tafel werden de Simonsen vervangen door de laatste twee alleenstaande mannen die er nog zijn. Blijkbaar denken ze dat ik een gevaar voor het vrouwvolk ben. Ik heb gevraagd of ik in mijn kamer mag eten, maar dat mag alleen als je ziek bent.

***

Emma komt mij bezoeken met een tros druiven en een paar sinaasappels die ze van de dessertkar genomen heeft. Ze vraagt wat ik heb. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik schouderophalend, ‘ze vinden niets. De dokter zegt dat het op onze leeftijd niet ongewoon is om wat minder goede dagen te hebben. Ik moet een paar dagen rust nemen.’

‘Rust!’ Ze lijkt ontdaan. Ik heb plots in de gaten dat ze ongerust is, dat we niet meer op stap kunnen gaan.
‘Het gaat al beter, hoor,’ zeg ik vlug. ‘Over een paar dagen ben ik weer de oude. Of de jongere,’ grap ik.

‘Ik hoop het,’ zegt ze , ‘want het is geen leven meer met hem. Ik was beter thuis gebleven. Ik ben nog veel te fit om hier te zijn.’ Tegen wie zegt ze het.

‘Maar, als jij niet met hem meegekomen was, hadden we elkaar niet leren kennen.’ Ik schrik zelf een beetje van wat ik zeg. Meen ik dat?

Ze glimlacht als een meisje en staat recht. Ik stotter dat ze best nog wat mag blijven.

‘Je moet rusten’, zegt ze plagerig.

***

Mijnheer Simons is echt ziek. Zijn bloeddruk gaat onrustbarend de hoogte in, telkens als Emma en ik een uitstapje hebben gemaakt. Emma vindt dat hij uitstekend verzorgd wordt en dat zij daar niet altijd bij nodig is.
‘Eigenlijk’ zegt ze, ‘kan ik niet veel voor hem doen. Hij is misschien wel beter af zonder mij.’
We gaan nog elke dag naar het krantenuurtje en daarna nemen we samen de immobiliën-bijlage door.

***

Sinds Emma en ik aan zee wonen, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat ik droom. Het duurt een paar tellen eer ik besef dat het echt is, dat zij naast mij ligt, haar grijze haar uitgewaaierd op het witte kussen. Dan glip ik stilletjes uit bed. Ze doet of ze slaapt. Ik zie het aan haar mondhoek die ze in de plooi probeert te houden. Ik haal croissants en broodjes bij de bakker op de dijk en daarna zet ik sterke, hete koffie.

De foto van Birte heb ik in de keuken gezet. Ze kijkt goedkeurend toe terwijl ik een eitje kook. Ik knipoog naar haar. We praten niet meer zoveel met elkaar, maar het is goed zo.

Noten kraken

Leestijd: 6 min

Later zou Linda haar naam veranderen in Linde, maar toen ze zes was dacht ze daar nog niet aan. Ze vond de namen van haar zusjes en van sommige meisjes op school mooier, maar ze wist nog niet dat je daar zelf iets kan aan doen.

Ze had wel al een besef van de plaats die ze had tussen de mensen en dat het leek alsof zij de enige was die niet iemand naast zich had. Zo hadden haar oudere zusjes Annie en Rosie elkaar omdat ze een tweeling waren en haar jongere broertjes Jo en Jan ook want die waren amper een jaar na elkaar geboren. Bovendien waren ze jongens en dat hield hen samen. Haar ouders waren samen en haar grootouders ook.

Wat niemand wist, was dat Linda een zusje had dat Isabelle heette. Niemand kon Isabelle immers zien en dus ook niet hoe mooi en hoe lief ze was en dat ze lang bruin haar had en een lichtgele jurk met een wijde rok en witte linten droeg.

Isabelle ging overal mee, naar de lagere school aan de andere kant van de stad, naar de kruidenierswinkel naast hun huis om brood en kaas, en naar de poort een paar huizen verderop waar ze groenten en fruit verkochten. ’s Woensdags ging ze soms mee spelen bij een vriendinnetje wiens ouders een meubelwinkel hadden en waar ze als de ouders het niet zagen in de toonzalen gingen spelen.

Op zondag mocht ze mee eten bij oma en opa, en daarna in de tuin en de veranda spelen. Als het regende keken ze naar de kleine zwart-wit tv in een onhandige hoek van de kamer. Onhandig, omdat de deur naar de keuken uitgaf op die hoek en als opa binnen zou komen, zou hij als er een tekenfilm speelde, de uitknop indrukken. Opa vond tekenfilms onnatuurlijk en ongezond voor kinderen.

Op zo’n zondagmiddag zaten Linda en Isabelle samen op de bank naar de tv te kijken. De jongens zaten op de grond en de tweeling zat op een stoel aan de tafel. De meisjes hielden de deur in het oog waarachter druk gepraat werd. Meer dan druk, de stemmen van opa en van hun vader werden luider en gingen soms gelijk de hoogte in en dat bedierf een beetje het heimelijke plezier van het kijken naar Popeye the Sailorman. Het voordeel was dat ze de hele aflevering konden uitkijken en daarna nog naar een film over mensen in een grijs stoffig land, die een aap en een leeuw hadden.

Net toen de aap teruggevonden werd nadat hij gestolen was door een donkere halfnaakte man en hij zich rond het bovenlichaam van een blonde vrouw in een safaripak klampte, ging de deur naar de keuken open. In het deurgat stond mama met vijf wollen jasjes over haar arm en evenveel bivakmutsen. Achter haar was het beklemmend stil.

Rosie zette de tv uit en de andere kinderen haalden hun jas op bij hun moeder en trokken hem aan. Alle knopen moesten dicht en oma en opa moesten gezoend worden eer ze naar buiten mochten. De bivakmutsen hoefden niet. Isabelle hoefde geen jas aan. Ze nam geen plaats in, met vijf en ook met zes, konden ze gemakkelijk op de achterbank van de Mercedes.

Linda mocht bij de deur zitten, want ze werd soms ziek in de auto. Als ze overgaf, werd haar vader boos en dat wou niemand, dus mocht ze altijd naast de deur zitten. Ze kon dan het raam naar beneden draaien als ze lucht nodig had of ze kon snel uitstappen als haar vader bij een gracht stopte waar ze kon overgeven.

Ze hoopte dat ze niet moest overgeven want ze hadden die middag kip met appelmoes en gebakken aardappelen gegeten en het was zoals altijd bij oma heel lekker geweest. Maar nog meer wenste ze dat het niet zou gebeuren omdat haar vader er ontstemd uitzag en ze niet wilde dat hij door haar misselijkheid echt boos zou worden. Ze hield haar lippen stijf op elkaar en ze kneep langs de ene kant in Isabelles hand en aan de andere kant in de handgreep van de autodeur en zo hield ze het vol tot ze bij hun huis aankwamen.

Hun huis was geen gewoon huis. Het was geen rijhuis zoals alle huizen verder in de straat en het was geen huis in een tuin zoals bij oma en opa. Het was een grote garage waar mensen kwamen om hun auto’s te laten repareren. Beneden was naast de grote hal waar de auto’s in- en uitreden een bureau en een kleine keuken, waar mama eten maakte en soms de klanten begroette. Boven was een donkere woonkamer, een badkamer en drie slaapkamers.

Papa reed met de auto tot vlak voor de grote poort en iedereen moest blijven zitten tot de poort openging. Alleen Linda mocht eruit omdat ze zo bleek zag. Ze ging bij het roostertje in de goot staan omdat ze niet zeker was of ze zou overgeven of niet. Isabelle bleef bij haar.

Ze stonden hand in hand in de koele vooravondlucht en Linda rilde een beetje. Ze keken naar de auto die door Papa naar binnen werd gereden en hoe hij moest zigzaggen tussen de auto’s van klanten die klaar stonden om morgen opgehaald te worden door hun eigenaars. Ze hoorden het schuren van metaal tegen metaal en dan hoe papa heel luid begon te vloeken en te roepen dat het mama’s schuld was dat hij tegen de auto van dokter Kestermans was gereden.

Linda boog zich over de goot en kokhalsde, maar er kwam niets uit.

Later zaten ze allemaal boven in de woonkamer. Er kwam alleen licht van een staande lamp en uit de tv. Buiten werd het al donker. Mama lag op de bank te huilen en papa keek naar de tv waar veel fietsers kromgebogen over hun stuur te zien waren en dan snelle auto’s die veel lawaai maakten en soms praatte er een nette meneer of een mooie mevrouw en af en toe zong iemand een liedje over rozen of liefde.

Omdat er geen plaats was op de bank zaten alle kinderen op een stoel rond de tafel en keken ze mee naar het oplichtende scherm en probeerden ze het snikken van mama niet te horen.

Op de tafel stond een schaal met okkernoten en twee notenkrakers. De ene notenkraker bestond uit twee dikke lepels die je tegen elkaar moest duwen tot de noot barstte. De andere had een huisje waar je de noot in moest stoppen en dan aan een schroef draaien tot de noot geen kant meer op kon en kraakte.
Linda had als eerste de notenkraker met het huisje te pakken en begon te kraken. Jan keek eerst boos toe, maar nam dan de andere. Samen kraakten ze zwijgend noten en deelden ze uit aan Rosie, Annie, Isabelle en Jo, die ze stil opknabbelden terwijl ze naar Louis Neefs keken. Iedereen hield van Louis Neefs, maar niemand zei wat.

Ze dachten niet dat mama zin had in okkernoten, maar voor papa legde Linda een hoopje opzij. Toen ze er tien had, trok ze er ook de velletjes af. De twintig bleke helften legde ze eerst in twee rijtjes op tafel en daarna deed ze hen in een rond kaasdoosje waarin ze eerst wat watten had gelegd.

Ze bracht het doosje naar haar vader die nu in de relaxzetel zat. Hij zag er niet meer boos uit, hoewel ook niet echt ontspannen en lief, maar toch kalm genoeg zodat Linda hem het doosje durfde aanbieden. Hij zei dat ze een braaf meisje was, nam een halve noot en keek knabbelend verder naar het nieuws.

Na het nieuws kwam de weerman en daarna Het Manneken, wat iedereen heel grappig vond, behalve Linda en Isabelle die hem eng vonden. Daarna was het bedtijd, de kinderen zoenden hun vader en de vader liet zich zoenen terwijl hij naar het voetbal keek. Alleen Isabelle gaf hem geen zoen.

Daar lag Linda aan te denken, net voor ze in slaap viel. Dat Isabelle papa geen zoen had gegeven. Dat Isabelle niet van papa hield.

Knooppuntroute

DSCN0283Leestijd: 3,5 min

We hadden ruzie, niet eens zo erg, over iets onbenulligs, een plank die kraakt en waar ik niet op mag stappen, want dan wordt de onderbuurvrouw wakker, of misschien iets nog onbenulliger. Niet erg dus, maar toch erg genoeg om het over ernstige dingen als vertrouwen te hebben. En erg genoeg om me af te vragen en zelfs hardop te vragen of we niet beter uit elkaar zouden gaan.

Daarna kookte jij eitjes en aten we een ontbijt van toast met eieren alsof de dingen die we gezegd hadden niet van belang waren.

We zouden met de fiets naar het kunstenfestival gaan. Ik had er wel zin in, en ook weer niet want ik was nog boos en ik was bang om ontmoedigd te geraken bij al dat moois. We zouden met de fiets gaan, hoewel het best een eind was en de ochtend al een stuk opgeschoten was door die ruzie en dat ontbijt, en ik nog een doos pralines moest gaan kopen voor de verjaardag van mijn moeder.

Na een kilometer had jij al dorst en toen ontdekten we dat we het flesje met kraantjeswater waren vergeten. Tenminste, jij vond dat ik het vergeten was, terwijl ik dacht dat jij het op het aanrecht had laten staan. Want jij had het gevuld.

Voor we verder reden betastte jij de achterband van je minifiets en stelde ik de overbodige vraag of we een fietspomp bijhadden. We reden nog een eindje verder en zagen een man en een vrouw die het fietspad naar Duffel zochten. Zij hadden een fietspomp bij.

Na het pompen leek de band nog platter te worden en we keerden terug. Ik dacht dat we naar huis zouden gaan en in bed zouden gaan liggen, maar jij vond een fietswinkel die open is op zaterdag en voor twee euro werd je band opnieuw opgepompt. Of er een scheurtje in de band was, kon de man niet zomaar zeggen. Je zou het wel merken zei hij.

En dus reden we nog niet naar huis, maar namen we een kortere weg naar het punt waar we rechtsomkeert hadden gemaakt. Ik reed achter jou om je achterwiel in het oog te houden. Soms reden we naast elkaar en bespraken we scenario’s waarin de band het begaf en we op een plek zouden zijn waar geen openbaar vervoer was.

De knooppuntroute die jij uitgestippeld had bracht ons langs holle wegen, bospaadjes en smalle straatjes met veel lelijke en een paar mooie huizen, weiden met paarden en tuinen met caravans en plastic stoelen. Ik keek vooral naar je achterband.

Het flesje water dat we bij een benzinestation hadden gekocht was bijna leeg en we kregen honger. Ik dacht niet dat we bij het kunstenfestival zouden geraken als we niet eerst wat zouden eten. We verlegden ons doel en keken nu uit naar een café of een eethuisje waar we iets kleins maar vullends te eten zouden vinden.

In Boom vonden we een café met een prachtig terras aan het water. We gingen binnen zitten want we waren al een paar uur buiten geweest en het deed goed om even geen wind te voelen. We waren te hongerig om kieskeurig te zijn en aten dingen die we anders nooit in een café eten omdat we ze thuis zelf veel beter kunnen maken: jij pannenkoeken en ik croque monsieur. Ik bedacht dat ik je zelfs nog nooit ergens anders dan thuis pannenkoeken had zien eten. Het was alsof je weer een beetje nieuw voor me was.

Door het eten kwam er weer kracht in mijn armen en benen en bemoedigd spreidde ik de kaart op de tafel. Het kunstenfestival was nog erg ver. We zouden er aankomen als alle kunstwerken al bekeken of betast waren, de gedichten voorgelezen waren, en de mensen hun spullen en kinderen verzamelden om naar huis te gaan.

Je stelde voor om naar huis te rijden over een andere knooppuntroute. Ik voelde spijt en opluchting en eerst meer spijt dan opluchting, maar daarna een soort kinderlijke blijheid dat we terug zouden keren.

We liepen naar onze fietsen en ik liep achter jou. Ik zag je naar het stuur van je blauwe minifiets grijpen en mijn blijheid werd plots groot en wijd en onbegrijpelijk intens en na een paar seconden kwam het gevoel mij bekend voor. Ik nam je gezicht in mijn handen en ik kuste je mond en ik zei dat ik helemaal niet van je weg wilde, dat jij mijn allerliefste bent.

We reden weer naar huis, langs het glinsterende water, langs bomenrijen en een veld waar kraaien opvlogen en in hun vlucht kleine spartelende vogels meenamen. Ik reed achter jou en de hele rit bleef ik me verbazen over wat mijn hart met me doet als ik naar jou kijk.

Vrouw zakt door perron

DSCN4828  Leestijd: 3,5 min

De scherpe pijn in haar staartbeen verdringt gedurende een paar seconden alles. Ava houdt haar rechterhand in een kom rond de plek van waaruit de pijn haar hele lichaam rondstraalt en pas als ze de hevigheid voelt afnemen, ziet ze zichzelf in een halfdonkere ruimte zitten en komt de angst opzetten.

Ze voelt aan de wand, het is vochtige aarde, en ze kijkt in de grote opening boven haar hoofd waardoor het vroege ochtendlicht naar binnen valt.

Het duurt niet lang eer ze zich herinnert dat ze even ervoor op het perron stond en heen en weer wandelde omdat het fris was en de trein naar Kortrijk op zich liet wachten. Dan waren de betontegels onder haar voeten weggeschoven. Ze was letterlijk in de grond gezakt.

De put is diep en wijd. Ava begrijpt niets van zoveel ruimte onder de grond en doet ook verder geen moeite om te begrijpen. Ze probeert te denken aan iets dat haar hieruit kan helpen. Ze vraagt zich af of ze iemand gezien heeft op een van de andere perrons en –nog belangrijker- of iemand haar gezien heeft.

Dan komt de angst opnieuw, nu snel en onbeheerst en ze begint te roepen. Het geluid van haar stem wordt gedempt door de zachte wanden. Ze probeert het nog eens en wat harder en ze denkt aan akelige dromen waarin ze om hulp roept, maar geen geluid uit haar keel krijgt. Meestal werd ze dan wakker geschud door Myriam want die hoorde haar wel kreunen.

Myriam. Gek dat ze er nu pas aan denkt dat ze iemand kan bellen.

Maar moet het Myriam zijn? Hoe moet ze uitleggen wat ze om zes uur ’s morgens in het station van Mechelen doet? Wat kan Myriam doen behalve de hulpdiensten bellen? Zou ze zich naar hier haasten? Kan ze niet beter zelf de politie bellen? Wat is het nummer? 100? 101?

Ze vindt haar mobiele telefoon onderaan in haar tas en haalt hem bevend boven. Net als ze het met nummer 100 wil proberen, hoort ze een stem. Als ze naar boven kijkt, ziet ze een hoofd over de rand hangen. De man is blijkbaar op zijn buik gaan liggen.

‘Is daar iemand?’ vraagt hij overbodig, want er is nu al zoveel licht dat hij haar wel moet zien zitten.
‘Ja ja’, roept Ava beverig. Ze voelt plots tranen en snot en ze zoekt naar een zakdoek terwijl ze ‘Ja ja, help mij’ blijft herhalen.

Er komt een tweede hoofd bij.
‘Bent u gewond?’ vraagt hij.

‘Ja, nee, een beetje’ roept Ava terug. Ze tast naar haar staartbeen en voelt dan pas de pijn in haar pols en iets prikken aan haar oor en haar lip. Er komen donkere vlekken op haar zakdoek.

Ze dringt nieuwe tranen terug, ze slikt en slikt en dwingt zichzelf tot een droog gesprek met de mannen die haar kunnen redden.

‘Bent u van het station?’ vraagt ze.
‘Bent u gekwetst?’ vraagt de man opnieuw.
Hun vragen overstemmen elkaar.

Het is lastig naar boven kijken, ze houdt haar hoofd een paar tellen naar beneden. Als ze weer naar boven kijkt, hangt er een derde hoofd over de rand.

Het is een vrouw.
‘Mevrouw,’ zegt ze ‘er is hulp op komst.’
‘Bent u gekwetst? Hebt u pijn? Waar hebt u pijn?’

Antwoorden kost moeite.
‘Mijn rug, onderaan, en mijn pols.’

‘Kunt u rechtstaan?’

Ava schudt het hoofd. Ze wil het niet eens proberen.

De twee andere hoofden verdwijnen.

‘Er is hulp onderweg,’ zegt het vrouwenhoofd weer. Dan verdwijnt ze ook.

Het geluid van de ambulance lijkt nog ver weg als het al stopt. Na een tijdje komen nieuwe hoofden kijken.

‘Te diep en te gevaarlijk,’ zegt het ene hoofd, ‘bel het klimteam.’

‘Mevrouw, er is hulp op komst, roept de man nu ook weer naar beneden, ‘wij kunnen u hier niet uithalen, het klimteam is opgeroepen.’

Het is wachten, de pijn in haar rug die minder hevig is, en de pijn in haar pols verdragen. Wachten en op de tanden bijten, en proberen om wat comfortabeler te gaan zitten.

Dan komt de vraag weer op of ze Myriam zal bellen. Ze tikt het nummer in, maar bedenkt zich.

Myriam zal de brief pas vanavond vinden. Ze kan net zo goed niets doen en de dingen laten verlopen zoals ze gepland waren. Met vertraging, want ze had nu op de trein moeten zitten, al uren ver verwijderd van het leven met Myriam.

Ze had een Noord-Franse stad op het oog, Lille of misschien Rouen. Ze zou er een paar dagen op hotel gaan en er werk zoeken.
Vandaag zal het niet meer lukken. Ze zullen haar naar een ziekenhuis brengen. Ava ziet zichzelf al in een wit bed liggen. Het Sint-Maartenziekenhuis is het dichtste bij.

Als ze Myriam niet belt, zou zij het op een andere manier te weten komen?

***

In het ziekenhuis vragen ze voor de derde keer of ze iemand moeten bellen.

‘Nee, nee, alstublieft niet.’

Het is allemaal niet zo erg. Een gekneusd staartbeen, een verstuikte pols, hechtingen in haar lip, haar wenkbrauw en haar oor. Voor de zekerheid kan ze beter een nachtje blijven.

De pijn is te verdragen, alles is gezalfd, omzwachteld, gehecht of bepleisterd. Het bed ligt fijn, er brandt licht op de gang, de belknop is binnen bereik.

Slapen is alles wat ze kan en wil doen. Slapen.

En morgen vertrekt ze gewoon opnieuw. De grootste hindernis heeft ze gehad.

(Naar een bericht in De Standaard op 26/08/2014)