Doorgaand verkeer

In Ria-Sirach staan de huizen gearmd in de rij
de ramen dof, de gevels beroet en voorover gebogen
luisterend naar het trillend asfalt.

Het café rechts van de baan, met het terras
aan de overkant, is nu gesloten.

Zal ik ooit nog door Ria-Sirach rijden
zonder aan haar te denken, de glazen gevuld
het dienblad op de schouder, die nog omkeek
naar haar moeder, voor ze overstak?

Zal ik de hoofdstraat kunnen mijden zonder
aan hem te denken, zijn dringende vracht
de wind in de rug, de zon in de ogen
het geluid van brekend glas.

Vos

Ik heb zijn staart gezien, lang en pluizig
een stuk van zijn lijf, kort in de vlucht.

Nu houdt hij zich stil op de helling
beloert mijn doen en laten

en in de verte iets wat roert.

Arm zwak dier, moet hij wel denken
alleen maar rechtop kunnen lopen

weinig zien, slecht horen, matig ruiken
en altijd waarneembaar als het beweegt.

Blijven

Vanmorgen in de vroegte 
heb ik mijn laarzen uitgedaan 
en ben ik in een plas gaan staan.

Ik voelde hoe de natte aarde 
langs mijn enkels gleed 
hoe mijn voetzool wortel schoot 
en het koele water in mij zoog.

Wakker en gelaafd 
bleef ik in de modder staan
en wist weer dat ik nooit meer 
nooit meer hier vandaan wil gaan.

Bal in het dorp

Met gesloten ogen 
zet een meisje de dans in.

De klarinettist speelt altijd blind 
voor de mensen op de stoelen
voor de dansers en het kroelen.

Voor de vrouwen en de kinderen 
en het dansen met de mannen.

Zijn maat geeft de tijd aan 
met tikken en slaan.

Van pòm pom pom 
pòm pom pom 
pòm pom pom
pòm.

Onder een lucht zwaar 
van onweer en zweet
streelt de gitarist 
het publiek en de snaren.

Is het een wals of een tango 
een dans zonder naam?
 
En de vrouwen ze dansen 
met elkaar en de kinderen 
en de mannen. De mannen 

de andere de nieuwe
verlaten het feest
met de vrouw van de ene
met de man van de andere.

De accordeonist zingt de nacht 
in wiegend en dragend 
en starend naar een punt 
achter het plein. 

Missen

Hij lijkt nu weggesneden uit de foto 
van de kamer waar jullie laatst 
nog samen waren.

Je wil hem terug warm en 
levend de ogen de stem.

Wat je zei wil je opnieuw 
zeggen maar luid nu en helder.

Je wil je vingers op zijn arm 
voelen je arm op zijn rug.

Je wil zijn hoofd ruiken
zijn adem.

Je wil hem niet
missen het is te vroeg.

Het is altijd te vroeg
ook laat op de avond.

Het is altijd te laat
om nog dit en dat te zeggen
hem toe te dekken en te sussen en
slaapwel te kussen. 

Het gedicht is een pad en de tred op het pad. Het is het droge kruid langs de weg, de slang tussen de stenen. Het is klimmen klimmen klimmen en dwalen op de kam. Het is de witte flard tegen de helling, het zilvermeer in de verte. Het is stilstaan en kijken, luisteren naar de vlucht van een ree. Het is dralen en dalen, bedachtzaam neerzetten van voeten. Thuiskomen met stenen in de zakken en takken op de rug. Alles op een hoop, op de tafel, op de grond. Het is kiezen kiezen kiezen, aarzelen, winnen en verliezen. Het is zoeken naar een tred. Naar een ritme in de tred.

De gedroomde

Met haar wil ik 
een tuin beginnen
radijsjes zaaien
die groeien snel.

Of beter honderd 
preien planten
daar eten we 
een hele winter van.

Een haag doen groeien
en dan snoeien.
een pad aanleggen
naar ons huis.

In de keuken brood bakken 
brandnetelsoep koken
paddenstoelen drogen
en tijm.

Een bouwpakket 
van een bed
in elkaar steken 
zonder ruzie maken.

Een deken breien
de lakens spreiden
en vroeg gaan slapen.

Een nee heb je, een ja kun je krijgen

(klankgedicht)



Wanneer krijg ik jouw ja?
Laten we ja zeggen.
Ja, zeg ja. 

Of nee, 
laten we nog wat wachten.
Laten we beginnen met een neen.

Een is geen.
Een neen is goed genoeg,
laten we de ja maar laten.

Wie heeft een ja nodig 
als je een neen kunt hebben? 

Nee toch? 
Of toch? 

Laten we een toch kiezen. 
Of een nog.

Wanneer krijg ik jouw toch? 
Of wordt het misschien een misschien, misschien? 

Hou je nee dan maar.
En je ja ook.

Toch?