Uit ‘Gaspard en Justine’

1972
Outer

Juni volgde mei zonder dat er iemand in huis op de kalender had gekeken. Ongemerkt werden de nachten lauw, ongevraagd kwam het licht vroeger. Justine schoof de gordijnen traag open zodat de zon aan de oostkant niet te bruusk naar binnen viel. Gaspard knipperde, maar opende zijn ogen niet. Justine keek een paar tellen naar zijn gezicht. Het was nog geler geworden. De kleur van boterbloemen, dacht ze even, maar ze schoof die gedachte weg want ze leek haar ongepast. Ze kreeg geen goedemorgen over haar lippen.
In de keuken gaf ze koffie aan de nachtwaakster. Alice vertelde in weinig woorden de nacht. Er was niets bijzonders gebeurd. Ze had hem de hele tijd horen ademen, het spiegeltje was niet nodig geweest. Ze schudde haar hoofd traag van links naar rechts. Justine stelde verder geen vragen, ze hoopte dat Alice haar koffie snel opdronk en wegging.
De deur van de badkamer liet ze open terwijl ze zich waste. Ze draaide de kraan maar een halve slag om, zodat het water geluidloos tegen de binnenkant van de wastafel liep. Af en toe hief ze haar hoofd en luisterde. Haar kleren van de dag ervoor, een wollen rok, een bloes en een gebreid vestje, hingen over een stoel. Ze trok ze weer aan. De deur van de kleerkast zou kraken als ze wat anders zocht. Ze haalde een grove kam door haar gepermanente haar en poetste haar bril. Ze vulde een teil met warm water en nam een washandje en een handdoek mee naar de kamer.

Hij leek te slapen, maar het verschil tussen slapen en wakker zijn was dun geworden. Heel even aarzelde ze, maar dan bedacht ze dat het water hem goed zou doen. Ze schoof de lakens opzij en rolde ze wat op zodat ze een heuveltje vormden op het bed. Er kwam soms wat tocht uit de gang. Ze knoopte zijn pyjama snel los, ze was de laatste tijd bedreven geworden. Ze zou een goede verpleegster geweest zijn, maar haar vader had haar daarvan weerhouden. Ze wist nog goed waarom. Te gevaarlijk, had hij gezegd, voor een schoon meiske gelijk gij.
Ze kleedde haar man uit en legde een grote handdoek over zijn magere lijf. Tot voor kort had ze dit nog nooit gedaan. Het was iets wat zij in hun huwelijk niet deden, elkaar uitkleden. Hij had het wel gewild, maar ze had het nooit toegestaan. Nu vond ze het niet erg om te doen. Hij was een oud, uit de vorm gegaan lichaam, met benige schouders en een gezwollen buik. Hij was haar patiënt.
Gaspard hield zijn ogen gesloten terwijl ze zijn gezicht waste. Ze deed het zacht, zonder zeep, depte zijn ogen en wreef voorzichtig over lippen en mondhoeken. Zijn ogen bleven gesloten terwijl ze zijn armen, zijn handen en zijn borst waste. Met het half uitgewrongen washandje nam ze zijn geslacht in haar hand alsof het een ziek diertje was. Pas toen ze zijn voeten optilde om met de handdoek rond zijn hielen te gaan, opende hij zijn ogen, even geel als zijn huid. Dat was het teken dat hij klaar was om naar het midden van het bed gerold te worden, zodat ze zijn rug en zijn magere billen kon wassen.
Het ritueel eindigde zoals de dagen ervoor: met het herschikken van het hoofdkussen, het strak trekken van het laken en de vraag of hij thee wou. Dat hij knikte, vervulde haar met genoegzaamheid. Ze had er goed aan gedaan hem op te frissen. Haar tred naar de keuken was hoorbaar nu. Ze mat nog steeds haar passen, maar liet hem stappend weten waar ze heen ging.

Terwijl ze thee zette, vroeg ze zich af wat ze mee zou nemen naar de kamer, het boek of haar haakwerk. Het boek was achtergelaten door een van de kleinkinderen, dacht ze. Het was niet van haar, zeker niet van Alice en waarschijnlijk niet van haar dochter. Soms sloeg ze het open en las ze willekeurig een halve bladzijde. Meer stond ze zichzelf niet toe. Het was geen boek voor haar. Op de kaft stond een vrouw met blote schouders, een parelsnoer rond haar hals en een diadeem op haar hoofd. Een vrouw die waarschijnlijk door velen, mannen en vrouwen, mooi gevonden werd. Ze moest toegeven dat het een bevallige verschijning was, maar mooie vrouwen riepen bij haar een afkeer op. Het waren die vrouwen die de mannen bedierven, dacht ze. Toch trok het boek haar aan. Het was verleidelijk om een paar minuten binnen te gaan in een andere tijd, in het leven van vreemde mensen, die ver van haar afstonden.
Ze koos voor het haakwerk. Dan deed ze tenminste iets nuttigs. Het zou een driehoekige sjaal in fijne parelgrijze wol worden. Misschien gaf ze hem deze keer niet weg, maar hield ze hem voor zichzelf. En terwijl ze haakte kon ze hem in het oog houden.

Gaspard leek nog steeds wakker te zijn. Zijn ogen waren niet helemaal dicht. Het was alsof hij naar zijn handen keek, op de brede omgevouwen rand van het laken. Hij ademde in korte stoten, maar wel regelmatig. Justine boog zich naar hem toe, maar er veranderde niets. Ze zou hem kunnen vragen of hij iets nodig had, of ze iets voor hem kon doen, maar ze besloot nog wat te wachten. Vanmiddag zou ze hem wat bouillon geven. Misschien zou hij dat vandaag wel willen.
Ze week terug in haar stoel en nam het haakwerk op haar schoot. Maar meteen dacht ze weer aan het boek. Ze overliep de weinige bezoekers die er de afgelopen dagen waren geweest. Maar ze kon zich niemand voor de geest halen die dat soort boeken las. Behalve de verplichte literatuur op de normaalschool, had ze zelf nooit romans gelezen. Ze hield meer van dingen die echt waren, boeken en tijdschriften over tuinieren en koken, nuttige dingen.
Gaspard had wel gelezen. ’s Zomers zat hij soms uren op de bank voor het huis, en in de winter in de keuken op een stoel, met de ellebogen op tafel. In het begin van hun huwelijk toch. Maar hij was ermee gestopt. Ze kreeg plots spijt van het boek waarin ze gebladerd had en van de herinneringen die dat boek opriep. Maar het was te laat, ze zag hem weer voor zich. Zijn ogen eerst vol ongeloof, daarna woedend, toen ze op een avond een boek uit zijn handen had gerukt en in de kachel had gegooid. Ze had gewild dat hij mee naar de kamer ging, dat hij mee ging slapen, niet om samen te zijn, maar om samen te slapen. Dat hij naast haar kwam liggen, tot ze haar rusteloze geest kalm kon krijgen en in slaap kon vallen. Maar hij was die avond niet te overhalen geweest.
Het beeld liet zich niet wegdringen. Ze keek er met afschuw naar. Ze probeerde haar daad te rechtvaardigen, maar ook dat lukte haar niet. Rechtvaardig, dacht ze, rechtvaardig zou zijn, dat ze hem zei dat het haar speet. Ze schrok van haar eigen gedachten. Ze stond op, legde het haakwerk op het nachtkastje en liep naar de keuken. In de gang bleef ze staan, keerde zich half om en liep dan toch naar de keuken. Ze zou verse bouillon maken, er lag nog een schenkel in de koelkast.

In de keuken trok ze kasten open en deed ze weer dicht. Ze ging voor de kalender staan, pakte het potlood dat er met een touwtje naast hing, draaide mei naar achter en streepte de eerste vier dagen van juni door. Ze wist zeker dat het maandag was, dus moest het de vijfde zijn. Van de kalender keek ze in de tuin en toen dacht ze weer aan de soep. Routineus zette ze vlees en groenten onder water en stak het gasvuur aan. Terwijl ze wachtte tot het water kookte, wrong ze haar handen. Ze wou niet te lang wegblijven. Hij kon haar nodig hebben. Ze dacht aan spijt. Als ik het hem wil zeggen, dacht ze, moet ik het nu doen. Maar de weerstand was even krachtig als de drang om het te doen en de strijd tussen die twee hield haar staande, daar in de keuken. Ze keek op de klok, ze was al een half uur weg. Ze draaide het vuur laag en repte zich naar de kamer.

Hij lag nog steeds in dezelfde houding, de ogen opnieuw gesloten, de handen op het laken. Ze ging zitten en keek naar zijn gezicht. Voor het eerst sinds hij hier in de kamer lag, voelde ze haar lip trillen. Ze probeerde ze in bedwang te houden. Ze wilde niet zwak zijn. Maar wat ze ging doen, was dat niet zwak? Ze stond weer recht, liep naar de keuken, draaide het gas onder de kookpot uit en keerde onmiddellijk weer naar de kamer. Ze schoof haar stoel wat dichter bij het bed.

‘Gaspard,’ zei ze, ‘weet ge nog, dat boek dat ik in de kachel smeet?’
Er was weinig aan hem te zien. Zijn ogen lagen nog steeds gesloten, zijn handen lagen stil. Maar ze had de indruk dat hij haar hoorde, en nadat ze moed geschept had uit haar eerste woorden, ging ze verder.
‘Ik had dat niet mogen doen. Dat was kinderachtig. Ik heb er spijt van.’
De spijt die ze voelde was veel groter dan de spijt over wat er die avond gebeurd was. Het was spijt over alles wat haar daad had teweeggebracht. Dat hij die avond naar buiten was gelopen en pas ‘s nachts was thuis gekomen. Hoe hij koud naast haar was komen liggen. Was hij al die tijd buiten geweest? Ze was het nooit te weten gekomen, want ze hadden dagen niet meer met elkaar gesproken. Haar spijt strekte zich verder uit over de jaren en leek alles toe te dekken wat zij hem ooit kwalijk had genomen.
‘Spijt’ zei ze weer, alsof het geen zin had om er nog meer uitleg aan te geven of de draagwijdte ervan te beschrijven.
Ze keek naar zijn gezicht en dan naar het nog nauwelijks merkbaar op en neer gaan van zijn borstkas. Ze zag geen verandering, maar ze was ervan overtuigd dat hij haar gehoord en begrepen had. Er kwam rust over haar. Ze leunde naar achter, zocht steun tegen de rugleuning van haar stoel en trok het haakwerk weer op haar schoot.
Ze haakte een rij halve stokjes, maar hield dan even stil. Slaap overmande haar.
Misschien was de slaappil, die ze erg laat had ingenomen, nog niet uitgewerkt. Of kwam het door de kalmte die over haar was gekomen? Of door zijn rustige ademhaling? De saaiheid van haar haakwerk? Mogelijk door de combinatie van dat alles, knikte haar kin naar voren en vielen haar ogen dicht.
Zodat ze niet zag dat zijn pink bewoog, dat zijn ogen half open waren en zijn donkere pupillen in het boterbloemengeel van zijn ogen naar haar keken. Teder.
Rond het middaguur werd ze wakker. Hij niet meer.

 

(Eerste hoofdstuk van mijn onuitgegeven roman ‘Gaspard en Justine’. Meer hierover op Het geluk van de schrijver.)

Advertenties