Doorgaand verkeer

In Ria-Sirach staan de huizen gearmd in de rij
de ramen dof, de gevels beroet en voorover gebogen
luisterend naar het trillend asfalt.

Het café rechts van de baan, met het terras
aan de overkant, is nu gesloten.

Zal ik ooit nog door Ria-Sirach rijden
zonder aan haar te denken, de glazen gevuld
het dienblad op de schouder, die nog omkeek
naar haar moeder, voor ze overstak?

Zal ik de hoofdstraat kunnen mijden zonder
aan hem te denken, zijn dringende vracht
de wind in de rug, de zon in de ogen
het geluid van brekend glas.

De redding

(Niet voor gevoelige lezers)

Een muis vond een toegang tot het huis. De kat zag haar het eerst. De vrouw hoorde het geroffel en de onrust van de kat. In de badkamer, achter een kastje, schuilde de muis voor de klauwende poot van de kat. Die kon er niet bij, de vrouw wel, maar ze durfde de muis niet met de blote hand te grijpen. Lang geleden was ze al een keer gebeten door een muis en ze vroeg zich af of muizenbeten giftig waren, en of ze bereid was zich opnieuw te laten bijten om de muis te redden van de kat. Daar zaten ze, de muis achter het kastje, de kat ervoor, de vrouw op haar knieën op de koude vloer. Er kwam een bezem bij te pas. De muis maakte een sprongetje en schoot de woonkamer in. Nu miauwde de kat klaaglijk bij de boekenkast, de vrouw lag op haar buik voor de sofa en de muis hield zich stil. Toen wilde de vrouw gaan slapen en ze zette de opgewonden kat buiten. De muis bleef stil. Een tijdje toch. Rond vier uur hoorde de vrouw gescharrel in de woonkamer. Ze stond op en ging kijken, het kwam van de papiermand. Ze bracht de mand naar buiten, liet de kat weer binnen en ging terug naar bed. De kat kwam op haar liggen, begon genoeglijk te dabben en dacht al lang niet meer aan de muis. De vrouw wel. Om halfzes, toen het licht werd, stond ze op. Voorzichtig, om de kat niet te wekken, duwde ze de klink van de keukendeur omlaag en ging op blote voeten naar buiten. In de mand zat enkel nog papier. Wat verder stond een emmer water. Daarin dreef ze, de snuit in de diepte, de staart omhoog.

Als meisjes lachen

De jongen loopt rechtop, kin omhoog, schouders laag. Hij heeft het huis verlucht, het pad geruimd. De bromfiets blinkt, papaverrood, hij rijdt wel niet, maar staat zo mooi. Het meisje is van ver gekomen. Hij helpt haar rugzak dragen, maakt haar kapotte schoen. Ze rusten op het muurtje, te horen aan haar lachje, zijn gezoem. Soms koert ze als een duifje. Thuis zal hij haar hapjes voeren, die hij anders zelf nooit eet.

Ze drinken veel uit kleine glazen. Ze blijft als meisjes lachen, als hij de muziek aanzet, onstuimig hard. Om dan weer uit te draaien, de stilte in te gaan, het donker ook. Haar rug te aaien, de blauwe vogels en de bloemen die ze zelf alleen kan zien in spiegels.

Haar zuchtjes en haar kreetjes, zijn gegrom verlegen, niemand hoort het, niemand stoort het. Alleen de buurvrouw droomt met open raam van lang geleden, toen zij nog koerend lachen kon.

Hier is weer een dag

Hier is weer een dag
Waarin een plan
Een plan blijft

De rit is lang
Het wachten in kamers en zalen
Eindeloos

Heel even denk ik dat je uit mijn armen glijdt
Maar kijk daar ben je weer
Alsof het leven
Gewoon leven is

De rit is lang
Het thuiszijn kort

***

Deze rit lijkt langer nog
Het wachten
Het innerlijk vloeken stampen
Niet mogen binnengaan
Niet om je hand vast te houden

Maar kijk daar lig je weer
Te stralen

De rit is lang
De nacht is kort
Jouw sterren
Neem ik mee naar bed

Met vier aan tafel

Aan haar eikenhouten tafel
Drinken wij voor het eerst
Wijn uit kleine glazen

Hij heeft blauwe ogen en lang sluik haar
Gegroefd gezicht en rijk
Te mooi om goed te zijn

Zij heeft bruine ogen en sterke schouders
Rad van tong
Jong en vol plannen

Hij heeft donkere ogen en is grijs
Voor zijn jaren
Te wijs om waar te zijn

Ik snijd mijn perziktaart
In ongelijke stukken
En neem het kleinste part

Iemand likt het bord af
Die zal het zijn

 

 

(Voor wie interesse heeft in het schrijfproces, hier vind je een tekst over feedback bij dit gedicht.)

Het bericht

Het komt als een ongevraagd pakje
Dat ik meteen weg wil doen

Maar dan blijf ik misschien denken
Dat het bij het vuilnis ligt

Zou ik het verbranden?
En de as en de brandgeur dan?

Ik zet het in het licht
Voor mij op de tafel

Ik doe het open
Strijk de papiervouwen glad

Na lang genoeg kijken
Berg ik het weg op een plank

Daar blijft het staan
Tussen de gelezen boeken
Totdat het geen belang meer heeft

Hoed en schoenen

Op een dag als vandaag
Denk ik aan je bruine hoed
En aan je oude schoenen
Aan dat lichtgroene hemd
Dat je zo goed stond

Ik probeer me het weefsel
Van je tweed jasje te herinneren
En dan krijg ik spijt
Van alles wat ik heb weggedaan

Ik zou je kleren willen terugvragen
Aan wie ik ze gegeven heb

Van alles zou ik een stuk op het bed leggen
Het groene hemd
De grijze broek
Een paar donkere sokken
Het grof geweven jasje ernaast
De hoed op het kussen
En de schoenen aan het voeteneinde

Dan zou ik wachten tot jij daarin kwam