De trein wacht wel

Leestijd: 4 min

De plek voor het poortje is nog vrij. Een goed teken. Alsof ik hier voortaan elke werkdag zal mogen staan, op mijn eigen parkeerplaats bij het kleine station. Straks zit ik op de warme trein en de rest van de dag zal mijn tweedehandsauto op mij wachten bij dit vriendelijke poortje. Ik kijk er graag naar terwijl ik de minuten tel voor ik de trap naar het tochtige perron moet nemen. Het is een sierlijk ijzeren hekje. Met liefde gemaakt, dat zie je. In het midden staat “Benvingut” in overhellende letters en daarrond klimmen bloemen en blaadjes langs gedraaide spijlen. Wonderlijk toch. Hoe maak je zoiets? Voor dat soort dingen heb ik, die weinig handigheid meekreeg, elke keer weer bewondering.

De struiken achter het poortje slapen staande, heen en weer gewiegd door de wind. Alleen de mimosa lijkt zich stilaan te rekken. Nog een paar weken en dan zal de boom feestelijk geel zijn en er ons elke keer aan herinneren dat we het ergste van de winter gehad hebben. De wind. Ik moet uitstappen, de auto op slot doen, de trap aflopen. Een paar minuten nog. Voortmaken, niet met de tijd spelen, niet op een derde werkdag. Het is al moeilijk genoeg.

Mijn nieuwe collega’s zijn niet onvriendelijk, maar ook niet echt hartelijk. Een beetje meewarig kijken ze naar mij. Alsof ze zich afvragen wat ik in hun streek kom doen. Is het niet veel beter in het noorden? Was je niet beter daar gebleven? Ze stellen dat soort vragen nog niet. Dat ik geluk heb, herhalen ze een paar keer per dag. Werk vinden is moeilijk hier. De jongeren willen van de landbouw af en zoeken werk in de stad. En zelfs voor hen, die hier geboren en getogen zijn, zijn de plaatsen beperkt. Ik probeer het niet als een verwijt te horen. Ook al ben ik niet jong en niet van hier. Ik doe mijn best.

Zoals ik mijn best doe bij de bakker en de groenteboer, in de post en aan de loketten van de gemeente, bij de loodgieter of de elektricien die ik nodig heb. Die ik nodig heb, en niet omgekeerd. Zij hebben mij niet zo nodig. Ze zijn vriendelijk, dat wel, maar ze hebben mij niet nodig. Ik ben geen toerist die een dure villa met zwembad huurt, elke dag uit eten gaat en op het einde van haar vakantie wijn en souvenirs inslaat. Maar nu ik er toch ben, zullen ze dat en dat wel voor mij doen. Maar het kost een klein beetje meer, want u woont toch wat afgelegen. Waarom bent u zo ver buiten het dorp gaan wonen? Ik doe mijn best om de dingen uit te leggen, vriendelijk en duidelijk te praten, met mijn eigen accent. Want zoals zij praten, de meeste woorden eindigend achteraan in hun mond, dat kan ik niet. Ik probeer het niet eens. Het is hun taal, niet de mijne. Het heeft geen zin om verwarring te stichten, laten we duidelijk zijn, er is verschil.

Op het perron staat de man met de pilotenmuts, de opgetutte vrouw met het kind, het meisje met de lange haren en de turkooisblauwe koptelefoon. Na mij komt de man die gisteren ook na mij kwam. De op-het-nippertje-man. Zoals ik. Altijd op het nippertje en soms te laat. Zou ik daar geen komaf mee maken? Nu mijn leven een herstart maakt, kan ik misschien wat gewoonten veranderen.

Zij groeten mij en dan hem, en dan groet hij iedereen. Net zoals gisteren en eergisteren, niet meer of niet minder. Ik lach naar het kind. Ik zou iets kunnen zeggen over zo vroeg en zo koud voor zo’n kleintje. Maar de moeder is in gedachten verzonken. Het meisje met het lange haar zingt onhoorbaar mee met de muziek in haar oren. Haar lippen vormen “So here ’s my number! So call me maybe …” Ze glimlacht betrapt als ze merkt dat ik naar haar kijk, maar zingt dan verder. De mannen gaan met elkaar in gesprek.

Zou er ooit iemand vragen waarom ik naar hier gekomen ben, wat ik hier kom doen? Dan zou ik antwoorden dat ik rust zocht en dat ik die in de bergen gevonden heb. Dat ik mijn zekerheden en mijn inboedel weggedaan heb om hier te kunnen zijn. En zouden ze dat dan begrijpen?

Op de trein stelt niemand vragen. Iedereen kijkt wat voor zich uit. Behalve door de treinwachter ben ik nog nooit door iemand aangesproken. En de treinwachter komt elke dag want in dit plattelandsstation kun je geen kaartjes kopen. Het is onbemand. Maar wel bewoond. De mensen die er wonen hebben van de wachtzaal een atelier gemaakt. Als de deur openstaat, hoor je boren en zagen. Zelf wonen ze boven.

Kijk het raam gaat open. Een man buigt zich over het smeedijzeren balkon dat dezelfde krullen heeft als het tuinpoortje. Hij roept iets in mijn richting. Ik versta maar een paar woorden. “Auto” en “tuinpoortje”, meen ik te horen. Mijn medereizigers kijken eensgezind in mijn richting. Het bloed schiet naar mijn wangen. Auto … poortje … Ojee, ik mag daar niet staan!

Ik ren de trappen op, binnensmonds sakkerend in verschillende talen. Dit komt niet goed. Heeft het wel zin? Zou ik niet beter meteen doorrijden naar de stad en daar een veel te dure parkeerplaats nemen?

Ik verzet de auto toch maar gauw naar de laatste parkeerplaats en ga weer naar beneden. Lopen heeft geen zin. Ik hoor de trein al binnenrijden. Straks val ik nog van die metalen trap. Hij is er al. Meteen vertrekt hij zonder mij.

Maar als ik beneden kom, staat hij er nog. Mijn medereizigers staan nog op het perron. Iedereen kijkt in mijn richting. De moeder heeft het kind op haar arm. De koptelefoon van het meisje hangt in de kraag van haar jasje. De man met de pilotenmuts wenkt mij. “Haast u!” roept hij, “We wachten op u!”

Ik struikel over de sporen naar het perron. Dat ze niet opgestapt zijn! Zelfs de vrouw met het kind niet! Ze lachen en ze knikken naar elkaar en naar mij. Ik versta niet alles wat ze zeggen, maar aan de gebaren van de op-het-nippertje-man begrijp ik dat ik als eerste op de trein moet stappen.

Als iedereen zit, wordt er nog wat gewezen en gelachen, en wat meer gepraat dan gewoonlijk. Ik lach terug en ga dan wat gemakkelijker zitten. Mijn jas kan open, het is heerlijk warm op de trein.

Advertenties

Brief

Perpignan, 23 maart 2014

Beste Juliette

Totaal onverwachts kwam uw foto onder mijn ogen. Wat gelijkt gij op uw moeder, mijn pleegmoeder. Het waren toch altijd mooie dagen als we naar Overijse mochten komen. En als nonkel Theodoor zijn schaartje nam om in de serre het dessert te gaan knippen.

Ik ben gezond en wel en hoop van u hetzelfde.
Alleen mijn nieuwe heup, dat is nog wennen.

Vele groeten,
Marie-Rose