Kippies Zwemvest

fotoLeestijd: 4 min

Het eerste wat ik die dag verkocht was een boek over Nieuw-Zeeland. De vrouw die het kocht had oranje haar en een bleke huid en ze droeg een rode bril. Het duurde even eer ik mijn aandacht van haar gezicht kon verplaatsen naar haar vragen. Of het een goed boek was, vroeg ze. Ik moest bekennen dat ik het niet gelezen had. Ik kon me zelfs niet meer herinneren waar, wanneer en waarom ik het ooit gekocht had. En nee, ik ben nooit in Nieuw-Zeeland geweest. Zij wel. Ze had er twee jaar gewoond. Ze was er lang geleden naartoe getrokken om er met haar vriend een zaak te beginnen. Nog geen maand nadat ze er waren, maakte hij het uit.

‘Daar stond ik dan,’ zei ze. ‘Ik was te trots om terug te keren en ik bleef.’

Ze had er gewerkt en ze had er rondgefietst. Een deel van haar verhaal ben ik vergeten, maar haar gezicht bleef me bij. Haar ogen waren donker aangezet. Ze zag er vermoeid uit, alsof ze te snel geleefd had. Ik vroeg twee euro voor het boek. Het was in uitstekende staat maar het was misschien wat gedateerd.

Wou ze dan nog teruggaan? Nee, zeker niet. Het klonk zo stellig dat ik het wonderlijk vond dat ze er dan toch nog een boek over kocht.

‘Ik ga nu wat anders doen’, zei ze. Volgende week vertrek ik naar Maleisië.’

‘Met mijn kinderen,’ voegde ze er nog aan toe.

Bij Maleisië en nog meer bij het woord ‘kinderen’, flakkerde er iets op in haar ogen.

Tijdens ons gesprek was de zon doorgebroken en waren er wat meer mensen in het park gekomen. Iemand vroeg naar de prijs van de luster, het grootste stuk dat op mijn twee vierkante meter zeil stond uitgestald. Daardoor verdween de vrouw met het boek zonder dat ik haar goede reis had gewenst.

De verkoop ging goed. Verbazend goed, want af en toe begon het regenen en moest ik alles afdekken. Maar zo gauw het ophield, kwamen de mensen weer aanschuiven en kochten ze dingen die ik niet meer wou hebben, maar toch nog te mooi of te goed vond om ze weg te gooien: borden, bestek, een blikopener, kandelaartjes, een paar gedeukte mosselpotten.

Vooraan op het zeil stond een doos met autootjes, poppetjes, sleutelhangers en kleurige prullen waar kleine kinderen graag naar graaien.

Een nieuwe regenbui zette de helft van het zeil onder. Ik was blij dat het boek al weg was. De rest kon ertegen. Ik schudde alles af en droogde hier en daar wat bij met mijn zakdoek en probeerde een nieuwe opstelling uit.

Een man op een fiets stopte voor mijn kraampje en boog zich naar de speelgoeddoos. Hij viste er een zwemvest uit die ooit van Action Man was geweest uit en stak het omhoog.

‘Hoeveel kost dat?’ vroeg hij.

‘Als u daar een bestemming voor hebt, mag u het gratis hebben’, zei ik.

‘Ik heb daar zeker een bestemming voor, zei hij, maar ik wil er wel voor betalen.’

Hij zat nog steeds op zijn fiets en glunderde op dezelfde manier als het jongetje dat een paar minuten ervoor een autootje uit de doos had mogen kiezen.
Een zwemvest op poppenmaat, hij maakte me nieuwsgierig naar de bestemming. Hij haalde zijn iphone uit de zak van zijn regenjasje en liet me een foto van twee jongens zien.

‘Mijn kinderen leren zeilen, zei hij, met dit zwemvest kan hun knuffel, Kippie, ook mee.’

Hij had geen foto van Kippie, maar hij zou er een sturen. Ik gaf hem mijn e-mailadres en hij gaf me twintig cent.

Bijna drie vierden van mijn rommel heb ik die dag verkocht. Ik had genoeg over voor een hotdog met zuurkool (twee euro), een knipbeurt bij de gelegenheidskapper (vijf euro) en een paar nieuwe boeken voor op de trein.

De rest van de rommel bracht ik naar de kringloopwinkel. Ik sloot de studio waar ik de laatste maanden had gelogeerd af en ik vertrok naar een ander land.

Onderweg dacht ik nog aan de vrouw met het oranje haar, aan de man op de fiets en aan alle vrienden en kennissen die ik die dag niet gezien had. Waarschijnlijk had niemand die dag zin in een rommelmarkt en had het niets te betekenen.

Toch had ik die dag een bekend gezicht gezien, dat van een vrouw waar ik lang geleden leuke gesprekken mee had gevoerd. Ik zag haar van ver aankomen en ik lachte haar uitnodigend toe. Ze lachte een kleine wat afstandelijke glimlach terug en liep verder.

Het heeft niets te betekenen, moest ik een paar keer tegen mezelf herhalen. Het is gewoon tijd om weg te gaan.

Ik ben er niet achter gekomen of de vrouw die het boek over Nieuw- Zeeland kocht, op het vliegtuig naar Maleisië zat dat op 17 juli in Oekraïne neergehaald werd. Misschien is ze een dag eerder vertrokken, of een dag later, of misschien helemaal niet.

Van de man op de fiets kreeg ik een mail met een foto van Kippie en de jongens, allemaal met zwemvest aan. Het was een fijne, geruststellende gedachte dat Kippie, als hij over boord zou vallen, snel gered kon worden.

Advertenties

Er waren geen wolven meer

Leestijd: 4 mindscn3413.jpg

Alles is veel verder dan het lijkt. Dat is het enige dat ik op dit moment, op deze plek zeker weet. Als ik naar het dal kijk, zie ik het huis. Er komt geen rook uit de schouw, ik heb de kachel uit laten gaan. In de kleine woonkamer staat mijn rugzak op de tafel, naar achter hellend, de riemen naar voren, klaar om gehesen te worden. In het zijzakje mijn ticket, een dure plaats op een snelle trein naar het noorden. Mijn verblijf hier was tijdelijk. De rust die ik had was luxe. Ginder wachten ze op mij. Het laatste uur dat ik nog had, wou ik buiten zijn, op de harde grond, tussen de koude bomen.

Als ik naar boven kijk, zie ik de kam met daarachter een helblauwe lucht. Bovenop de bergrug kun je de zee zien, zeker met dit weer. De lucht is er koud en zuiver. Alles is helder en lijkt bedrieglijk dichtbij. Maar achter de kam ligt nog een kam en daarachter nog een. Het kan niet, het mag niet. De top is te ver, er is geen tijd meer.

Nog een klein stukje. Ik trek mijn mouw over mijn pols, ik wil niet weten hoe snel de tijd gaat. Tot aan de eerste kam. Neen, tot aan die jonge eik. Daar kan ik even rusten en dan terugkeren. Het klimmen gaat goed. De paden zijn geëffend door de schapen en de geiten die voor de winter van de berg werden geleid. De zon verwarmt mijn rug. Ik heb geen water mee, ik moet terug. Ik moet terug.

De jonge eik is de laatste boom. Daarna zijn er enkel nog winterslapende struiken: heide, brem, tijm en vlinderlavendel. Ik ga op een steen zitten en kijk naar het dal. Als ik nu snel naar beneden ga, haal ik het nog. Als ik omkijk, ben ik verloren.

Ik kijk om. Tegen de hogere helling ligt hier en daar sneeuw. Glinsterend. Ik voel mijn dorst. Ik trek aan mijn mouwen en ik klim verder. Wat sneeuw leek, is ijs. Ik breek een stukje af en laat het smelten op mijn tong.

Voor de rand van de kam zie ik een weg, waarvan ik weet dat hij langzaam naar het dorp daalt. Ik kan hem nemen, want ik heb tijd nu. Op de razendsnelle trein zal een plaats leeg blijven. Ik heb nu zoveel tijd dat ik de weg in oostelijke richting zou kunnen volgen, weg van het dorp, naar de kale vlakte waar wellicht een koude wind waait.

Er beweegt iets op de grijze helling. Een donkere stip die snel groter wordt en de vorm van een hond aanneemt. Een grote hond. Ik voel mijn hart, dat nog bonkt van het klimmen, groter worden. Het drukt tegen mijn keel en mijn schouders. Ik probeer traag te ademen en te verstillen en ik laat mijn armen hangen. Dieren vallen niet aan als je zelf niets doet, houd ik me voor.

De hond komt in zwenkende draf dichterbij. Op een dertigtal meter stopt hij. Hij kijkt naar mij en lijkt hetzelfde te denken als ik: als ik niet aanval, doet ze misschien niets. Ik kan nu zijn dikke grijsbruine pels zien. De stevige poten, de spitse snuit. Hond, denk ik, jij bent een wolf.

Ik voel aan mijn broekzakken. In mijn linkerzak mijn telefoon, rechts een plat fototoestel. Op de tast haal ik het eruit. Ik probeer zo traag mogelijk te bewegen. Terwijl ik mijn ogen op het dier gericht houd, breng ik het toestel voor mijn buik. Ik aarzel, bang dat hij een beweging maakt. Er is niets beangstigends aan hem. Ik weet zeker dat hij niet in mijn richting zal springen. Hij zal zelfs niet dichterbij komen. Zijn hele houding is erop gericht om rechtsomkeer te maken. Niet omdat hij bang is, maar omdat ik vreemd en onbelangrijk ben.

Ik zou hem willen zeggen dat het voor mij anders is. Hij is belangrijk, hij is prachtig. Ik zou hem graag van dichtbij willen zien, misschien wel aanraken. Ik zou graag een foto van jou willen nemen. Om straks thuis naar jou te kijken, om je niet te vergeten, om je aan anderen te laten zien.

Op de tast druk ik af. Nog terwijl ik de droge klik hoor, draait hij zich om. Hij loopt weg, in dezelfde ongehaaste draf waarin hij gekomen is. Ik vraag me af wie er het meest teleurgesteld is, hij of ik. Ik vervloek het fototoestel, ik vervloek mezelf.

Ik krijg het koud van stil te staan en ik draai me naar de zon. Ik moet een richting kiezen. Ik neem het brede pad naar het dorp. Mijn passen zijn snel en boos. Als ik vertraag, ebt mijn woede weg.

Na een half uur zie ik het eerste huis van het dorp. De rook komt dik uit de schouw en rafelt uit in de koude lucht. Ik loop wat vlugger de helling af want ik zie mijnheer Joch met een lege kruiwagen naar de achterkant van het huis gaan.

‘Monsieur Joch!’ roep ik. Hij keert zich om. Het duurt een paar minuten eer hij mij herkent. Ik vergeef het hem. Hij is oud en hij leeft al een heel leven in dit onooglijke dorp, op de rand van de wereld.

‘Ik heb een wolf gezien’, zeg ik.
Het duurt weer even eer hij reageert.
‘Dat kan niet,’ zegt hij ‘er zijn geen wolven meer.’
Ik haal mijn fototoestel uit mijn zak en ik toon hem het scherm. Er is niet veel te zien: een wazige bruine vlek tegen een grijze achtergrond. Met wat goede wil kun je er het silhouet van een weglopende hond in zien.
Mijnheer Joch schudt zijn hoofd. ‘Het kan niet’, zegt hij weer.

Hij kijkt naar de berg en ik zie hem denken, twijfelen.

‘Juffrouw’, zegt hij dan, ‘doe dat weg.’ Hij wijst naar mijn fototoestel. ‘Doe dat weg en zeg het aan niemand.’ Hij legt een hand op mijn mouw. Zijn vingers klauwen zacht in mijn dikke trui. Zijn nagels zijn geel en lang.

Met knikkende knieën loop ik het dorp in. Het ruikt er naar houtvuur, er is niemand op straat. Het huis is nog niet helemaal afgekoeld. Ik steek de kachel aan en pak mijn rugzak uit.

(Getipt op azertyfactor.be door Celia Ledoux op 30 juli 2014)

Brave Meisjes

DSCN4439Leestijd: 1 min

Mijn naam heeft ze aanvaard, al hebben anderen hem gekozen. Ze houdt niet van de schrijfwijze. Ze maakt er wel eens een kleintje van, zoals mijn meester deed. Maar dat doet ze maar één keer, en dan weer gewoon. Alsof het niet past om de namen die hij gaf uit te spreken, nu hij weg is.

Ze houdt haar adem in als ik in slow motion van de tafel op een stoel spring. Ze weet dat ik lijd en toch doet ze er niets aan. Waarom gaat ze met mij niet naar een dokter? Ben ik voor haar ook tweederangs? Misschien omdat ze bang is dat ik roekeloos zou worden en mijn botten breken.

Of omdat ik erop wijs dat er met pijn te leven valt. Ik leer haar hindernissen nemen, voorzichtig, want botsen doet pijn. Op onze leeftijd kan pijn lang duren.

Ze prijst me om mijn blauwe pels en mijn amberkleurige ogen. Ze tilt me, wiegt me en zegt dat ik een braaf meisje ben. Zoals hij tegen haar, voor hij zijn ogen sloot. Hij zei het maar één keer in eenennegentig jaar.

Het is goed in haar schaduw. Ik vergeef haar dat ze me niet altijd geeft wat ik vraag. Ze is een braaf meisje, ik spin het, ze verstaat me.

(Getipt op azertyfactor.be door Martijn Lindeboom op 9 juli 2014)

Tuinvrouw

Leestijd: 5 min

‘Het is Anje’, zegt ze. Ik knik, ik heb haar meteen herkend. Ik doe een stap achteruit, gebaar dat ze binnen mag komen en zoek naar woorden. ‘Anje’, zeg ik, en ik slik de r in. Hij had haar altijd Anjer genoemd en ik weet nog dat ze dat niet prettig vond.
‘Je bent niets veranderd.’ Het is het eerste dat me te binnen schiet. Ze lacht wat onzeker. ‘Jij ook niet.’ We liegen allebei een beetje. Ze is klein en stevig. Niet kleiner dan ik, maar fijner. Ze neemt minder plaats in, dacht ik vroeger wel eens. Haar dunne armen zien er sterk uit, vooral haar bovenarmen. Haar handen en polsen zijn fijn. Ze geeft geen hand. Dat deed ze toen ook nooit.
‘Doe je nog altijd tuinwerk?’ Het is een overbodige vraag. Ik zie het aan haar. Ze knikt en ze loopt naar het raam.
‘Je hebt hier ook een tuin.’ Het klinkt verwonderd alsof ze verondersteld had dat ik het in mijn eentje niet zou redden met een tuin.
‘Hij is kleiner dan de vorige’, zeg ik weer volkomen overbodig. Ze kijkt naar de tomaten en ik ben blij dat er al groene trosjes aanhangen.
‘Ik heb ook aubergines.’ Ik wijs trots naar de kleine eivormige vruchten.
‘Je zou wat meststof kunnen strooien’, zegt ze.

Zo ken ik haar weer. Ze wist er alles van. Vanaf de eerste dag dat we haar hadden aangeworven, deed ze gewoon haar zin. Ze moest maar een dag per week komen, maar soms kwam ze onaangekondigd nog wat onkruid wieden of controleren of de grond wel vochtig genoeg was.
Jules noemde haar Anjer. Hij vond Anje geen naam. Zijn eigen naam vond hij heel gewoon en mijn naam vond hij bijzonder. Hij maakte hem bijzonder door hem traag en in twee stukken uit te spreken. Soms hoor ik hem nog. Em-ma.

Hij had het eerst niet zo voor haar. Maar hij had weinig keus. Hij kon het niet meer en ik had het nooit gedaan. Gewoon nooit aan gedacht om het te doen. Ik kreeg de groenten en de bloemen. Ik maakte de beste ratatouille en schikte de rozen in vazen.

Als Anje kwam, volgde hij haar doen en laten vanachter het keukenraam en gaf haar instructies via mij. Ik ging naar buiten en bracht de boodschap over. Hij zegt, zei ik. Het maakte mij niet uit wat ze deed. Als ze maar in het zicht bleef, want ik keek graag naar haar. Er was iets aan haar lichaam en haar houding dat mij in verwarring bracht. Ze had iets hoekigs. Als ze met haar rug naar ons toe stond, had je kunnen denken dat het een jongen was. Een goedgebouwde, niet al te grote man van een jaar of twintig. Maar als ze zich omdraaide, zag je meteen haar ronde borsten. Dat kwam door dat strakke T-shirt dat ze altijd aanhad. In de zomer eentje zonder mouwen. Dan moest ik me soms dwingen om niet de hele tijd naar haar borsten en haar bovenarmen te kijken. In haar gezicht zat datzelfde dubbele: een rechte kaak, een kleine mond, maar grote, zachte ogen. Ze lachte soms, maar altijd maar half. Alsof ze haar volle lach bewaarde voor speciale gelegenheden.

Jules keek naar haar werk en hij keek naar mij. Hij zag dat ik keek. Na een tijdje verdween zijn wrevel.
‘Als ik er niet meer ben, moet je haar houden’, zei hij op een dag. Hij pakte mijn hand. Ik knipperde mijn tranen weg en begon er maar niet over dat ik misschien wel zou verhuizen. Maar ik dacht er wel aan. Soms stelde ik het mij voor, het leven dat er voor mij nog zou zijn. Het hielp een beetje.

We zagen haar met de kruiwagen heen en weer gaan. Ze was compost aan het verspreiden, terwijl hij gevraagd had om daar nog een paar weken mee te wachten. Ze gaf geen uitleg, ze deed gewoon wat ze vond dat er moest gebeuren.

Na zijn dood kwam ze niet. Ze had nog drie werkdagen loon te goed. Ze kwam het niet halen en ik had de fut niet om het haar te brengen. Ik wist trouwens niet waar ze woonde.

‘Ik ben verhuisd’, zegt ze, alsof ze mijn gedachten leest. Ze noemt een provinciestad, die niet eens ver weg is, maar waar ik nog nooit ben geweest.
Ik kan mijn ogen niet van haar afhouden. Haar huid lijkt donkerder, of is haar haar lichter? Het zit vol zilveren streepjes. Ik ben blij dat ik juist vandaag een rok draag in plaats van mijn dagelijkse jeans die nog net niet versleten genoeg is om weg te doen.

Ik vraag of ze koffie wil, of iets anders? Koffie is goed, en zij vraagt of ze mag roken. Ik zoek een asbak en zet de tuindeur open.

‘Ik moet je nog wat betalen, maar ik heb niet genoeg geld in huis. Je bent niet meer gekomen.’ Ik zeg het in een adem om het niet als een verwijt te laten klinken, maar ze verontschuldigt zich toch. ‘Ik kan niet tegen die dingen’, zegt ze. ‘Laat maar, het was de moeite niet.’
‘Maar het waren drie dagen werk’, protesteer ik zwak. Ze wuift met haar sigaret, ‘laat maar zitten.’

Ik krijg ook zin in een sigaret. Al was het maar om iets vast te kunnen houden. Maar ik rook al lang niet meer. Ik keer mij naar de koffie die te traag doorloopt. Waarom ben ik zo zenuwachtig?

‘Geen melk, hé’, zeg ik, ‘ik weet het nog’. Ze geeft me haar halve lach en neemt de mok van mij aan. Onze vingertoppen raken elkaar. Deed ik dat of deed zij dat?

Ze drinkt vele kleine slokjes na elkaar. Ik kijk in de tuin en tik met mijn tanden tegen de mok omdat ik niet weet wat te vertellen. Ze kan niet tegen die dingen en dus zeg ik maar niets over mijn man die gezegd had dat ik haar moest houden. Maar de tuin van dit huis is belachelijk klein voor een tuinier. Ik doe het nu zelf. Ik heb de tomaten opgebonden. Er staat basilicum en peterselie bij, want dat gaat goed samen. Ik heb courgettes en een struik boontjes, maar die geeft niet zo veel. Salie en dragon, maar geen bloemen. Toch wel, een paar afrikaantjes tegen de witte vlieg.

‘Als je wil, zal ik je wat meststof brengen’, zegt ze, ‘ik heb een goed natuurlijk product.
Je krijgt het voor niets, ik heb een hele voorraad.’

Ze zou terugkomen.

‘Ik moet maar eens gaan’, zegt ze. Ze staat recht en ik volg haar naar de gang. Mijn hart klopt hard en snel.

Ze trekt de voordeur half open en draait zich om.
‘Ik …’
Ze maakt een houterige beweging in mijn richting. Haar handen nemen mijn schouders en ik schuif naar haar toe. Het stugge is plots weg. Het is al zachtheid wat ik voel. Haar buik, haar borsten, haar wang. Het houdt te snel op. Ze springt van de dorpel, zegt nog ‘tot woensdag’ en wacht niet op een antwoord. Gelukkig maar, want ik heb er geen.

Ik denk dat ik haar ga houden.

(Gepubliceerd in de verhalenbundel Labyrint uitgeverij ’t Verschil Antwerpen 2014)

De trein wacht wel

Leestijd: 4 min

De plek voor het poortje is nog vrij. Een goed teken. Alsof ik hier voortaan elke werkdag zal mogen staan, op mijn eigen parkeerplaats bij het kleine station. Straks zit ik op de warme trein en de rest van de dag zal mijn tweedehandsauto op mij wachten bij dit vriendelijke poortje. Ik kijk er graag naar terwijl ik de minuten tel voor ik de trap naar het tochtige perron moet nemen. Het is een sierlijk ijzeren hekje. Met liefde gemaakt, dat zie je. In het midden staat “Benvingut” in overhellende letters en daarrond klimmen bloemen en blaadjes langs gedraaide spijlen. Wonderlijk toch. Hoe maak je zoiets? Voor dat soort dingen heb ik, die weinig handigheid meekreeg, elke keer weer bewondering.

De struiken achter het poortje slapen staande, heen en weer gewiegd door de wind. Alleen de mimosa lijkt zich stilaan te rekken. Nog een paar weken en dan zal de boom feestelijk geel zijn en er ons elke keer aan herinneren dat we het ergste van de winter gehad hebben. De wind. Ik moet uitstappen, de auto op slot doen, de trap aflopen. Een paar minuten nog. Voortmaken, niet met de tijd spelen, niet op een derde werkdag. Het is al moeilijk genoeg.

Mijn nieuwe collega’s zijn niet onvriendelijk, maar ook niet echt hartelijk. Een beetje meewarig kijken ze naar mij. Alsof ze zich afvragen wat ik in hun streek kom doen. Is het niet veel beter in het noorden? Was je niet beter daar gebleven? Ze stellen dat soort vragen nog niet. Dat ik geluk heb, herhalen ze een paar keer per dag. Werk vinden is moeilijk hier. De jongeren willen van de landbouw af en zoeken werk in de stad. En zelfs voor hen, die hier geboren en getogen zijn, zijn de plaatsen beperkt. Ik probeer het niet als een verwijt te horen. Ook al ben ik niet jong en niet van hier. Ik doe mijn best.

Zoals ik mijn best doe bij de bakker en de groenteboer, in de post en aan de loketten van de gemeente, bij de loodgieter of de elektricien die ik nodig heb. Die ik nodig heb, en niet omgekeerd. Zij hebben mij niet zo nodig. Ze zijn vriendelijk, dat wel, maar ze hebben mij niet nodig. Ik ben geen toerist die een dure villa met zwembad huurt, elke dag uit eten gaat en op het einde van haar vakantie wijn en souvenirs inslaat. Maar nu ik er toch ben, zullen ze dat en dat wel voor mij doen. Maar het kost een klein beetje meer, want u woont toch wat afgelegen. Waarom bent u zo ver buiten het dorp gaan wonen? Ik doe mijn best om de dingen uit te leggen, vriendelijk en duidelijk te praten, met mijn eigen accent. Want zoals zij praten, de meeste woorden eindigend achteraan in hun mond, dat kan ik niet. Ik probeer het niet eens. Het is hun taal, niet de mijne. Het heeft geen zin om verwarring te stichten, laten we duidelijk zijn, er is verschil.

Op het perron staat de man met de pilotenmuts, de opgetutte vrouw met het kind, het meisje met de lange haren en de turkooisblauwe koptelefoon. Na mij komt de man die gisteren ook na mij kwam. De op-het-nippertje-man. Zoals ik. Altijd op het nippertje en soms te laat. Zou ik daar geen komaf mee maken? Nu mijn leven een herstart maakt, kan ik misschien wat gewoonten veranderen.

Zij groeten mij en dan hem, en dan groet hij iedereen. Net zoals gisteren en eergisteren, niet meer of niet minder. Ik lach naar het kind. Ik zou iets kunnen zeggen over zo vroeg en zo koud voor zo’n kleintje. Maar de moeder is in gedachten verzonken. Het meisje met het lange haar zingt onhoorbaar mee met de muziek in haar oren. Haar lippen vormen “So here ’s my number! So call me maybe …” Ze glimlacht betrapt als ze merkt dat ik naar haar kijk, maar zingt dan verder. De mannen gaan met elkaar in gesprek.

Zou er ooit iemand vragen waarom ik naar hier gekomen ben, wat ik hier kom doen? Dan zou ik antwoorden dat ik rust zocht en dat ik die in de bergen gevonden heb. Dat ik mijn zekerheden en mijn inboedel weggedaan heb om hier te kunnen zijn. En zouden ze dat dan begrijpen?

Op de trein stelt niemand vragen. Iedereen kijkt wat voor zich uit. Behalve door de treinwachter ben ik nog nooit door iemand aangesproken. En de treinwachter komt elke dag want in dit plattelandsstation kun je geen kaartjes kopen. Het is onbemand. Maar wel bewoond. De mensen die er wonen hebben van de wachtzaal een atelier gemaakt. Als de deur openstaat, hoor je boren en zagen. Zelf wonen ze boven.

Kijk het raam gaat open. Een man buigt zich over het smeedijzeren balkon dat dezelfde krullen heeft als het tuinpoortje. Hij roept iets in mijn richting. Ik versta maar een paar woorden. “Auto” en “tuinpoortje”, meen ik te horen. Mijn medereizigers kijken eensgezind in mijn richting. Het bloed schiet naar mijn wangen. Auto … poortje … Ojee, ik mag daar niet staan!

Ik ren de trappen op, binnensmonds sakkerend in verschillende talen. Dit komt niet goed. Heeft het wel zin? Zou ik niet beter meteen doorrijden naar de stad en daar een veel te dure parkeerplaats nemen?

Ik verzet de auto toch maar gauw naar de laatste parkeerplaats en ga weer naar beneden. Lopen heeft geen zin. Ik hoor de trein al binnenrijden. Straks val ik nog van die metalen trap. Hij is er al. Meteen vertrekt hij zonder mij.

Maar als ik beneden kom, staat hij er nog. Mijn medereizigers staan nog op het perron. Iedereen kijkt in mijn richting. De moeder heeft het kind op haar arm. De koptelefoon van het meisje hangt in de kraag van haar jasje. De man met de pilotenmuts wenkt mij. “Haast u!” roept hij, “We wachten op u!”

Ik struikel over de sporen naar het perron. Dat ze niet opgestapt zijn! Zelfs de vrouw met het kind niet! Ze lachen en ze knikken naar elkaar en naar mij. Ik versta niet alles wat ze zeggen, maar aan de gebaren van de op-het-nippertje-man begrijp ik dat ik als eerste op de trein moet stappen.

Als iedereen zit, wordt er nog wat gewezen en gelachen, en wat meer gepraat dan gewoonlijk. Ik lach terug en ga dan wat gemakkelijker zitten. Mijn jas kan open, het is heerlijk warm op de trein.

Brief

Perpignan, 23 maart 2014

Beste Juliette

Totaal onverwachts kwam uw foto onder mijn ogen. Wat gelijkt gij op uw moeder, mijn pleegmoeder. Het waren toch altijd mooie dagen als we naar Overijse mochten komen. En als nonkel Theodoor zijn schaartje nam om in de serre het dessert te gaan knippen.

Ik ben gezond en wel en hoop van u hetzelfde.
Alleen mijn nieuwe heup, dat is nog wennen.

Vele groeten,
Marie-Rose