Met vier aan tafel

Aan haar eikenhouten tafel
Drinken wij voor het eerst
Wijn uit kleine glazen

Hij heeft blauwe ogen en lang sluik haar
Gegroefd gezicht en rijk
Te mooi om goed te zijn

Zij heeft bruine ogen en sterke schouders
Rad van tong
Jong en vol plannen

Hij heeft donkere ogen en is grijs
Voor zijn jaren
Te wijs om waar te zijn

Ik snijd mijn perziktaart
In ongelijke stukken
En neem het kleinste part

Iemand likt het bord af
Die zal het zijn

 

 

(Voor wie interesse heeft in het schrijfproces, hier vind je een tekst over feedback bij dit gedicht.)

Advertenties

Herinneringen

Overdag vallen de namen
Ze rollen uit de radio
Ze stuiteren in het rond

’s Nachts komen ze terug
Met hun lange armen
En hun grote hoofden

Meestal zijn ze vriendelijk
Maar raak je ze aan
Dan zijn ze weg

Personages

Ze staan met z’n drieën aan mijn bed:
de baardman, zijn bleke vrouw
en de Spaanse bakkersdochter.

Ze zijn groot en levend en spreken.
Laten we verder gaan.
Jij wilt een verhaal,
maar wij willen meer.

Ik draai me om,
trek het laken over mijn hoofd,
maar de Spaanse laat niet af.

Ze loopt rond het bed heen,
legt zich neer,
haar hoofd op het kussen naast mij.
Ze geeft warmte af en ze ruikt naar deeg.

Ik ben de steenhouwer, zegt ze,
de steenhouwer, waar jij al zolang van droomt.

Maar je leeft in de verkeerde eeuw!
zeg ik, nu wakker en geschrokken.

Doet er niet toe, zegt ze.
Ik ben de steenhouwer,
en laten we nu verder gaan.

Dichter om jou

Het is wachten
Elke nacht weer
Uren wachten
Op een blanco slaap

Niet dat ik iets tegen dromen heb
Maar wel tegen die ene
Waarin ik mezelf in stukken snijd
Met een kleermakersschaar

Wanneer alles gedroomd is
Krijg ik een streep wit
Zelfs een breed lint
Dat toch weer ophoudt

Dan ligt de dag nog donker en te vroeg
Waar jij zou moeten liggen
Mijn borsten tegen jouw vleugels
Mijn handen op je buik

Ik wikkel mij dichter om jou
Liever had ik je armen en benen rond mij
Zodat ik geen kant op kan
Stil blijf liggen

In slaap val