1993

Het regent lauwe druppels
Onder een decemberzon

Naast mij mijn schaduw
Wij lopen samen naar een bos

Waar jij nooit een voet zette
Nooit in een camera keek

Gisteren was je nog in beeld
In een huis in de stad

Aan een ronde tafel
Waarvan ik me nu afvraag

Waar ze gebleven is
Of het waar was

Dat we gelukkig waren
In negentiendrieënnegentig

Op de terugweg
Loopt de schaduw voorop

In ergerlijke haast
Om in een huis aan te komen

Waar geen kerstboom staat
Waar niemand ons kan filmen

Waar jij nooit aan tafel zat
Ook al is ze net zo rond

Hoed en schoenen

Op een dag als vandaag
Denk ik aan je bruine hoed
En aan je oude schoenen
Aan dat lichtgroene hemd
Dat je zo goed stond

Ik probeer me het weefsel
Van je tweed jasje te herinneren
En dan krijg ik spijt
Van alles wat ik heb weggedaan

Ik zou je kleren willen terugvragen
Aan wie ik ze gegeven heb

Van alles zou ik een stuk op het bed leggen
Het groene hemd
De grijze broek
Een paar donkere sokken
Het grof geweven jasje ernaast
De hoed op het kussen
En de schoenen aan het voeteneinde

Dan zou ik wachten tot jij daarin kwam

We sliepen

We sliepen de nacht in
Het donker door
De ochtend uit
Als we niet sliepen
Hielden we ons vast
Aan schouders en aan heupen

We wilden niet
Het weggaan niet
We wilden wakker blijven
En bij elkaar

Toch sliepen we
Het vergeten in
Het zoete onweten in
Het uitstellen van de kus

Nu wil ik in de zon staan
Niet naar binnen gaan
En niet voelen daar
Hoe koel de lakens zijn