Het gedicht is een pad en de tred op het pad. Het is het droge kruid langs de weg, de slang tussen de stenen. Het is klimmen klimmen klimmen en dwalen op de kam. Het is de witte flard tegen de helling, het zilvermeer in de verte. Het is stilstaan en kijken, luisteren naar de vlucht van een ree. Het is dralen en dalen, bedachtzaam neerzetten van voeten. Thuiskomen met stenen in de zakken en takken op de rug. Alles op een hoop, op de tafel, op de grond. Het is kiezen kiezen kiezen, aarzelen, winnen en verliezen. Het is zoeken naar een tred. Naar een ritme in de tred.