Het gedicht is een pad en de tred op het pad. Het is het droge kruid langs de weg, de slang tussen de stenen. Het is klimmen klimmen klimmen en dwalen op de kam. Het is de witte flard tegen de helling, het zilvermeer in de verte. Het is stilstaan en kijken, luisteren naar de vlucht van een ree. Het is dralen en dalen, bedachtzaam neerzetten van voeten. Thuiskomen met stenen in de zakken en takken op de rug. Alles op een hoop, op de tafel, op de grond. Het is kiezen kiezen kiezen, aarzelen, winnen en verliezen. Het is zoeken naar een tred. Naar een ritme in de tred.

Personages

Ze staan met z’n drieën aan mijn bed:
de baardman, zijn bleke vrouw
en de Spaanse bakkersdochter.

Ze zijn groot en levend en spreken.
Laten we verder gaan.
Jij wilt een verhaal,
maar wij willen meer.

Ik draai me om,
trek het laken over mijn hoofd,
maar de Spaanse laat niet af.

Ze loopt rond het bed heen,
legt zich neer,
haar hoofd op het kussen naast mij.
Ze geeft warmte af en ze ruikt naar deeg.

Ik ben de steenhouwer, zegt ze,
de steenhouwer, waar jij al zolang van droomt.

Maar je leeft in de verkeerde eeuw!
zeg ik, nu wakker en geschrokken.

Doet er niet toe, zegt ze.
Ik ben de steenhouwer,
en laten we nu verder gaan.

Ontaarde moeder

Een monstertje baren,
het geeft instant geluk.

Ik leg het in een wiegje
en toon het aan mijn liefste.

Is het van jou? Van mij?
Of van ons allebei? vraagt ze.

Van mij, zeg ik,
En een beetje voor jou.

Ik toon het aan de buren.
Mooi, zeggen ze, mooi.

Mijn monsters liggen
in bedjes en in wiegjes,

in de kamer, op de zolder,
in de kelder en de tuin.

Ze wachten op een broertje
of een zusje

dat de harten zal veroveren
en het mooist van al zal zijn.