Monsieur Joly

Hij loopt met korte pasjes door de gang, een boekentas in de hand of onder zijn arm geklemd. Zijn korte lichaam is recht, alleen zijn schouders zijn gebogen. Zijn haar is donkergrijs, en plat tegen zijn hoofd gekamd.

‘Hij kwam naar me toe,’ zei mijn moeder.
‘Vous êtes encore plus belle, comme ça,’ had hij gezegd, nadat ze een goedaardig gezwelletje van haar neus had laten verwijderen.

Ik was er niet bij, ik stelde het me voor. Mijn moeder en mijnheer Joly tegen over elkaar in de gang, haar looprekje tussen hen in. Mijn moeder wat schaapachtig knikkend en dan makend dat ze wegkwam. Mijnheer Joly die haar teder nakijkt.

Ze vertelde het lichtjes geamuseerd en misschien ook wel geflatteerd. Ik probeerde haar lachje te lezen, maar ik kreeg er geen hoogte van.

***

Mijnheer Joly is de weg kwijt. In zijn kamer wordt de vloerbedekking vernieuwd en hij kan maar niet wennen aan zijn tijdelijk verblijf in een andere kamer. Hij dwaalt door de gang zonder boekentas. Af en toe kijkt hij schichtig de kamer van mijn moeder in.

Ik ga naar hem toe.
‘Comment va-t-elle ?’ vraagt hij.
‘Elle est très fatiguée,’ zeg ik.
‘Mais, ça va s’arranger, non ?’ Hij kijkt me recht aan.
Ik schud langzaam mijn hoofd.
‘C’est la fin!’ roept hij uit.
Hij pakt even mijn hand vast, draait zich om en loopt de verkeerde richting uit, naar zijn tijdelijk onbewoonbare kamer. Zijn schouders schokken.

Een paar dagen later ga ik het hem zeggen.
Zijn neus wordt rood, hij haalt een witte zakdoek uit zijn broekzak, dept zijn ogen, poetst zijn bril.
‘Elle était adorable ! J’aimais tellement votre maman…’
Hij draait zich om en gaat zijn kamer in. Die is inmiddels klaar, ik ben blij dat hij weer in zijn vertrouwde omgeving kan zijn.

Ze zouden een mooi paar geweest zijn, mijn moeder en mijnheer Joly.

Advertenties

Wake

De reis was lang
Vermoeid gaan wij de avond in

Niet meer hand in hand
En met minder woorden

Om de tijd voor te zijn
Sorteer ik herinneringen

Uw lachjes en de lichtjes
Voor als het donker komt

Hier is weer een dag

Hier is weer een dag
Waarin een plan
Een plan blijft

De rit is lang
Het wachten in kamers en zalen
Eindeloos

Heel even denk ik dat je uit mijn armen glijdt
Maar kijk daar ben je weer
Alsof het leven
Gewoon leven is

De rit is lang
Het thuiszijn kort

***

Deze rit lijkt langer nog
Het wachten
Het innerlijk vloeken stampen
Niet mogen binnengaan
Niet om je hand vast te houden

Maar kijk daar lig je weer
Te stralen

De rit is lang
De nacht is kort
Jouw sterren
Neem ik mee naar bed

Impasse

Hier staan we nu
Nergens

Terwijl we overal
Overal zijn geweest

Is dit alles
Alles wat er is

Het is niets of
Alles behalve die ene
Blozende appel

Het is niet erg
Zeggen we
Laten we gaan

Laten we weggaan
Of verdergaan

Waar we ook gaan
Daar zijn we geweest

Met vier aan tafel

Aan haar eikenhouten tafel
Drinken wij voor het eerst
Wijn uit kleine glazen

Hij heeft blauwe ogen en lang sluik haar
Gegroefd gezicht en rijk
Te mooi om goed te zijn

Zij heeft bruine ogen en sterke schouders
Rad van tong
Jong en vol plannen

Hij heeft donkere ogen en is grijs
Voor zijn jaren
Te wijs om waar te zijn

Ik snijd mijn perziktaart
In ongelijke stukken
En neem het kleinste part

Iemand likt het bord af
Die zal het zijn

 

 

(Voor wie interesse heeft in het schrijfproces, hier vind je een tekst over feedback bij dit gedicht.)