Brief aan een vandaal

Geachte mijnheer of mevrouw,

In mijn fantasie bent u een gespierde man van een jaar of vijfendertig, een arbeider met een slopende baan, die op vrijdagavond doodmoe is en een hekel heeft aan boodschappen doen in de grote Carrefour van Cabestany, samen met uw vrouw en uw kinderen. Maar u zou net zo goed een vrouw kunnen zijn of een oudere man, of een jonge kerel die nog niet zo lang geleden zijn rijbewijs heeft gehaald. Ik weet het niet en ik zal het nooit te weten komen.

De reclamefolder die u onder de ruitenwisser van de voorruit had geschoven en waarop u met een rode balpen ‘Tu ne sais pas te garer, connard!’ had geschreven, heb ik verscheurd en weggegooid. Ik heb dus geen bewijsmateriaal meer en ik kan u niet laten opsporen via een grafologisch onderzoek of een dna-test.

Als ik heel eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik vorige vrijdag, net als u misschien, doodmoe was en last had van de warmte. Had ik slecht geparkeerd? Het kan zijn. Maar veel keus was er niet. Ik heb mijn witte Twingo tussen twee andere auto’s gewrongen en zoals gewoonlijk gecheckt of de auto rechts van mij genoeg plaats had om de deur aan de chauffeurskant te openen. Mogelijk stond ik niet helemaal in het midden van de smalle parkeerplaats, misschien wel met een wiel tegen de witte streep aan, maar veel afwijking was er sowieso niet mogelijk.

Een vermoeid mens is minder aandachtig en het briefje onder de ruitenwisser merkte ik pas op toen ik al op de ring rond Perpignan reed. Ik zag niet meteen een veilige plek om te stoppen en te kijken wat erop geschreven stond. Ik reed dus door en stopte tien kilometer verder bij een fruitstalletje, met het idee het ene aan het andere te koppelen: wat perziken en abrikozen kopen en even kijken wat er op dat briefje stond.

Ik schrok van de boodschap. Niet alleen van de woorden en de toon waarop u mij erop wees dat ik mogelijk wat ongelukkig geparkeerd stond, maar ook van de manier waarop het met een rode balpen diep in het papier gedrukt was. Tot mijn afgrijzen merkte ik dat u met dezelfde rode balpen over de hele zijkant van mijn witte lease-Twingo had gekrast. Hoewel ik behoorlijk van streek was, ben ik toch nog fruit gaan kopen. Het perzikenseizoen is kort.

Thuisgekomen vond ik dat het te laat op de avond was om nog naar de verzekeringsagent of de garage te bellen en ik besloot er een nachtje over te slapen. Ik zou de volgende dag eerst de schade van dichtbij bekijken. Wie weet viel het nog mee.

Bij het leasecontract van mijn autootje zat een wax-certificaat en toen ik de rode krassen met een zachte spons en wat ‘savon noir’ probeerde te verwijderen, zag ik het nut in van die waslaag. Het ging eraf!

Opgelucht heb ik meteen mijn hele auto met veel zorg gewassen. En toen ik met spons en emmer bij de achterkant kwam, viel het mij opeens op dat de achterbanden er veel gladder uitzagen dan de voorbanden. Het ging meteen door mijn hoofd: als die man die kras niet had gemaakt, had ik mijn auto niet gewassen en had ik niet gemerkt dat die banden aan vervanging toe waren.

Twee dagen later reed ik naar de garage.
‘Ik geloof dat mijn achterbanden versleten zijn,‘ zei ik.
‘Dat geloof ik ook,’ zei de garagist, ‘redelijk erg versleten zelfs, we zullen ze meteen vervangen.’

Ik rijd nu met een blinkende auto en met nieuwe achterbanden, ik voel me een stuk veiliger op de weg. Ik kijk ook beter uit met parkeren en ik denk nog regelmatig aan u, mijnheer of mevrouw vandaal. Want misschien hebt u wel mijn leven gered. Als u mijn auto niet bekrast had, had ik hem niet met zoveel zorg gewassen en had ik niet gemerkt dat mijn achterbanden gevaarlijk versleten waren. Ik had kunnen slippen, of erger nog, een klapband kunnen krijgen terwijl ik 110 reed op de ‘voie rapide’ tussen Perpignan en Ille-sur-Têt. Dan zou ik nu een boeketje plastic rozen op een paal langs de kant van de weg zijn.

Op een of andere manier kan ik niet anders dan u dankbaar zijn, mijnheer of mevrouw. Maar misschien had het ook anders gekund. In een ideale wereld had u mijn wat scheef geparkeerde autootje kunnen bekijken en had u misschien ook gezien dat de groeven in de achterbanden te ondiep waren. U had dan een vriendelijk briefje kunnen schrijven: ‘Mijnheer of mevrouw, voor uw veiligheid: uw banden zijn aan vervanging toe.’ Dat had even goed gewerkt en dat had me hartkloppingen, een slapeloze nacht en fantasieën over mijn begrafenis bespaard.

Maar toch bedankt. En wie u ook bent, ik wens u een fijne tweede helft van de zomer toe.

Christine

Advertenties

Tokkel-les

Wat een drukte en kabaal
In de oude vijgenboom
Waar spechtjes leren tokken
Op de weke grijze bast

Ze doen het goed
Ze tokkelen op maat
Nog sneller dan
Gabriela van Rodrigo

En daartussen oewie oewie
De aansporende ouders
Hoog en laag en hard

En zacht oewie oewie

Nu houdt het op
Het is weer stil

Ik hoor nog slechts
De wolken schuiven

En op de droge bladeren
Het plofje van een vijg

Girona

Deze steen
Ouder dan de straat
Gelegd door een mens
Die zelf al lang is vergaan

Deze kassei
Draagt mij
Minder dan een tel
Een dun schijfje tijd
Dunner dan een vlindervleugel

Dit moment
Vouwt zich open
En is al weg
Voor ik het heb opgeschreven

DSCN1335

Het bericht

Het komt als een ongevraagd pakje
Dat ik meteen weg wil doen

Maar dan blijf ik misschien denken
Dat het bij het vuilnis ligt

Zou ik het verbranden?
En de as en de brandgeur dan?

Ik zet het in het licht
Voor mij op de tafel

Ik doe het open
Strijk de papiervouwen glad

Na lang genoeg kijken
Berg ik het weg op een plank

Daar blijft het staan
Tussen de gelezen boeken
Totdat het geen belang meer heeft

Zonder woorden

Zo zeker als de zon opkomt
Zo zeker weet ik dat je naast me zit
Hier aan het raam
Ik zet het op een kier
Zodat we het briesje voelen
Het schrapen van de keeltjes horen
Het aarzelend inzetten van het liedje van de dag

Terwijl het donker lichter wordt
Stel ik mijn vragen
Droog ik mijn tranen
Want het antwoord is -zeg jij- in hun gezang

Hoed en schoenen

Op een dag als vandaag
Denk ik aan je bruine hoed
En aan je oude schoenen
Aan dat lichtgroene hemd
Dat je zo goed stond

Ik probeer me het weefsel
Van je tweed jasje te herinneren
En dan krijg ik spijt
Van alles wat ik heb weggedaan

Ik zou je kleren willen terugvragen
Aan wie ik ze gegeven heb

Van alles zou ik een stuk op het bed leggen
Het groene hemd
De grijze broek
Een paar donkere sokken
Het grof geweven jasje ernaast
De hoed op het kussen
En de schoenen aan het voeteneinde

Dan zou ik wachten tot jij daarin kwam