Bal in het dorp

Met gesloten ogen 
zet een meisje de dans in.

De klarinettist speelt altijd blind 
voor de mensen op de stoelen
voor de dansers en het kroelen.

Voor de vrouwen en de kinderen 
en het dansen met de mannen.

Zijn maat geeft de tijd aan 
met tikken en slaan.

Van pòm pom pom 
pòm pom pom 
pòm pom pom
pòm.

Onder een lucht zwaar 
van onweer en zweet
streelt de gitarist 
het publiek en de snaren.

Is het een wals of een tango 
een dans zonder naam?
 
En de vrouwen ze dansen 
met elkaar en de kinderen 
en de mannen. De mannen 

de andere de nieuwe
verlaten het feest
met de vrouw van de ene
met de man van de andere.

De accordeonist zingt de nacht 
in wiegend en dragend 
en starend naar een punt 
achter het plein. 

Missen

Hij lijkt nu weggesneden uit de foto 
van de kamer waar jullie laatst 
nog samen waren.

Je wil hem terug warm en 
levend de ogen de stem.

Wat je zei wil je opnieuw 
zeggen maar luid nu en helder.

Je wil je vingers op zijn arm 
voelen je arm op zijn rug.

Je wil zijn hoofd ruiken
zijn adem.

Je wil hem niet
missen het is te vroeg.

Het is altijd te vroeg
ook laat op de avond.

Het is altijd te laat
om nog dit en dat te zeggen
hem toe te dekken en te sussen en
slaapwel te kussen. 

De redding

(Niet voor gevoelige lezers)

Een muis vond een toegang tot het huis. De kat zag haar het eerst. De vrouw hoorde het geroffel en de onrust van de kat. In de badkamer, achter een kastje, schuilde de muis voor de klauwende poot van de kat. Die kon er niet bij, de vrouw wel, maar ze durfde de muis niet met de blote hand te grijpen. Lang geleden was ze al een keer gebeten door een muis en ze vroeg zich af of muizenbeten giftig waren, en of ze bereid was zich opnieuw te laten bijten om de muis te redden van de kat. Daar zaten ze, de muis achter het kastje, de kat ervoor, de vrouw op haar knieën op de koude vloer. Er kwam een bezem bij te pas. De muis maakte een sprongetje en schoot de woonkamer in. Nu miauwde de kat klaaglijk bij de boekenkast, de vrouw lag op haar buik voor de sofa en de muis hield zich stil. Toen wilde de vrouw gaan slapen en ze zette de opgewonden kat buiten. De muis bleef stil. Een tijdje toch. Rond vier uur hoorde de vrouw gescharrel in de woonkamer. Ze stond op en ging kijken, het kwam van de papiermand. Ze bracht de mand naar buiten, liet de kat weer binnen en ging terug naar bed. De kat kwam op haar liggen, begon genoeglijk te dabben en dacht al lang niet meer aan de muis. De vrouw wel. Om halfzes, toen het licht werd, stond ze op. Voorzichtig, om de kat niet te wekken, duwde ze de klink van de keukendeur omlaag en ging op blote voeten naar buiten. In de mand zat enkel nog papier. Wat verder stond een emmer water. Daarin dreef ze, de snuit in de diepte, de staart omhoog.

Het gedicht is een pad en de tred op het pad. Het is het droge kruid langs de weg, de slang tussen de stenen. Het is klimmen klimmen klimmen en dwalen op de kam. Het is de witte flard tegen de helling, het zilvermeer in de verte. Het is stilstaan en kijken, luisteren naar de vlucht van een ree. Het is dralen en dalen, bedachtzaam neerzetten van voeten. Thuiskomen met stenen in de zakken en takken op de rug. Alles op een hoop, op de tafel, op de grond. Het is kiezen kiezen kiezen, aarzelen, winnen en verliezen. Het is zoeken naar een tred. Naar een ritme in de tred.

Hoe dit gedicht er kwam

Groenlanders vangen
elke lente kleine alken 
met een vangnet
of met de blote hand.

Ik strek mijn arm
grijp in de grauwe hemel
pluk gedachten
in hun vlucht.

Een spartelend lijf
ligt nu op tafel 
de poten, de vleugels 
en de snavel

de lichaamsdelen van een 
nieuw gedicht.

Het was de juiste dag
de juiste heuvel
graaien in verbazing

niet veel meer dan dat. 

De gedroomde

Met haar wil ik 
een tuin beginnen
radijsjes zaaien
die groeien snel.

Of beter honderd 
preien planten
daar eten we 
een hele winter van.

Een haag doen groeien
en dan snoeien.
een pad aanleggen
naar ons huis.

In de keuken brood bakken 
brandnetelsoep koken
paddenstoelen drogen
en tijm.

Een bouwpakket 
van een bed
in elkaar steken 
zonder ruzie maken.

Een deken breien
de lakens spreiden
en vroeg gaan slapen.

Een nee heb je, een ja kun je krijgen

(klankgedicht)



Wanneer krijg ik jouw ja?
Laten we ja zeggen.
Ja, zeg ja. 

Of nee, 
laten we nog wat wachten.
Laten we beginnen met een neen.

Een is geen.
Een neen is goed genoeg,
laten we de ja maar laten.

Wie heeft een ja nodig 
als je een neen kunt hebben? 

Nee toch? 
Of toch? 

Laten we een toch kiezen. 
Of een nog.

Wanneer krijg ik jouw toch? 
Of wordt het misschien een misschien, misschien? 

Hou je nee dan maar.
En je ja ook.

Toch?